Moe van de vrijblijvendheid

De inspanningsfysioloog van de Nederlandse voetbalbond gaat niet met Oranje, maar met Zuid-Korea naar het WK voetbal. Hoe Raymond Verheijen (34) verloren ging voor de nationale ploeg.

De trainingsleer van Raymond Verheijen is een begrip in het Nederlandse voetbal. In elke trainerscursus van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB) wordt aandacht besteed aan de specifieke conditie-opbouw die hij voor de sport heeft ontwikkeld. Steeds meer clubs en trainers maken gebruik van zijn methodiek, die is gebaseerd op periodisering. Oftewel: de juiste afstemming tussen training en wedstrijden.

De jonge Amsterdamse inspanningsfysioloog introduceerde deze vorm van conditietraining aan het einde van de jaren negentig. „Ik heb de traditionele visie ter discussie proberen te stellen”, legt Verheijen uit. „Conditietraining in het voetbal was altijd een geïsoleerd segment in de opbouw. Je hebt uithoudingsvermogen nodig om te kunnen voetballen, luidde de algemene opvatting. Dus werd er in elke voorbereiding op het seizoen veel aan looptraining gedaan. Na twee weken kwam er voor de eerste keer een bal aan te pas. Ik heb het omgedraaid. Mijn uitgangspunt is: van voetbal krijg je conditie. En als je het langer wilt volhouden, moet je steeds langer voetballen.”

Dus bedacht Verheijen allerlei partijvormen waarin de voetballer spelenderwijs zijn conditie verbetert. Met een opbouw van grote naar kleine partijen. Bijvoorbeeld in een bepaalde fase van elf tegen elf spelers tot acht tegen acht. Het tweede model is van zeven tegen zeven tot vijf tegen vijf en in de derde fase wordt er vier tegen vier en drie tegen drie gespeeld. „Het periodiseringsmodel laat voetballers beter functioneren. Maar trainers mogen er niet te dogmatisch mee omgaan. Je hebt met mensen te maken. Iedere trainer moet er zijn eigen interpretatie aan geven.”

De aanpak van Verheijen sprak Frank Rijkaard op de trainerscursus zo aan, dat de oud-speler van Ajax en AC Milan de inspanningsfysioloog in 1999 bij het Nederlands elftal betrok toen hij bondscoach werd. „Ik kwam in een warm bad terecht. Rijkaard, Johan Neeskens en Ruud Krol (beiden assistent, red.), dat waren vrienden. Neeskens was een soort mentor voor me, en maakte me op vele gebieden wegwijs bij Oranje.”

Verheijen ging de conditie van de internationals tijdens het seizoen periodiek meten met behulp van de zogenoemde interval shuttle-run-test. Belangrijk om te zien hoe de fitheid van de spelers is voor een groot eindtoernooi.

Na een eerste kennismaking met Oranje tijdens het Europees kampioenschap in Nederland werd Verheijen onder het bewind van Louis van Gaal, die in 2000 Rijkaard opvolgde, ook bij kwalificatie- en oefenwedstrijden betrokken. Na verloop van tijd kwam er kritiek van de Oranje-spelers op de nadrukkelijke aanwezigheid van de inspanningsfysioloog. Dat had enerzijds met zijn takenpakket te maken, anderzijds met de visie van Van Gaal. Verheijen moest bijvoorbeeld ook de warming-up voor de wedstrijden verzorgen.

„Het is teleurstellend dat de spelers hun onvrede nooit recht in mijn gezicht hebben geuit”, vindt de voormalige amateurvoetballer van DWS. Verheijen voerde de opdrachten uit van Van Gaal, die bij het Nederlands elftal in de trainingen een clubsituatie wilde nabootsen. Dat riep weerstanden op bij de internationals.

Zij waren gewend dat de voorbereiding op de kwalificatie-interlands en oefenwedstrijden zich voltrok als een vrijblijvende reünie. Een traditie die decennia lang gebruikelijk was. De trainingen moesten niet te zwaar zijn, want ze werden bij hun clubs al genoeg ‘afgebeuld’. Op woensdagavond waren ze in de wedstrijd wél bereid te ‘knallen’ voor volk en vaderland. Het was kenmerkend dat Van Gaal bij zijn afscheidsspeech verklaarde dat aanvoerder Frank de Boer vond dat Oranje geen veeleisende bondscoach maar een bezigheidstherapeut nodig had.

Van Gaal probeerde een einde te maken aan deze cultuur. Het zou zijn ondergang worden bij Oranje, dat het vorige WK in 2002 misliep, en de huidige AZ-trainer sleepte Verheijen mee. „Het was geen fijne periode”, kijkt de voormalige student van de Vrije Universiteit in Amsterdam terug. „Al vind ik dat Van Gaal gelijk had dat hij die traditie wilde doorbreken. Er mankeerde niets aan de intensiteit van zijn trainingen, die kwalitatief altijd erg goed waren. Maar de spelers zetten zich er tegen af. Wat mij frappeerde is dat ze daarin niet communiceerden met de trainer. Maar wel via allerlei lijntjes naar de buitenwacht, zoals de media.”

Verheijen had zich zeer verheugd op zijn werk bij het Nederlands elftal, maar het werd steeds meer een desillusie. Dat had vooral te maken met de instelling van de internationals. „Toen ik bij het Nederlands elftal kwam, dacht ik: dit is de absolute top, nu ga ik het meemaken. Maar het was juist heel vrijblijvend. Met uitzondering van de voorbereiding op het EK 2000. Want voor een eindtoernooi is alles wél gefocust op Oranje. Ik heb het achteraf beschouwd als een ontgroening. In dat jaar met Van Gaal maakte ik meer mee dan een ander in tien jaar. Ik heb geleerd wie wel en niet te vertrouwen is. Hier kan ik nog de rest van m’n carrière mijn voordeel meedoen.

„Het was in mijn ogen onrechtvaardig wat er gebeurde. Spelers en journalisten hadden dezelfde belangen en hielpen elkaar. Van Gaal, een van de beste trainers met wie ik ooit heb gewerkt, werd er het slachtoffer van. De meeste internationals hebben wel een professionele instelling, maar bij hun club, niet voor een kwalificatie-interland.”

In Zuid-Korea, waar hij in 2002 tijdens de WK-eindronde actief was als assistent van Guus Hiddink, maakte Verheijen heel andere werkomstandigheden mee. „Daar komt het niet voor dat spelers de kantjes er vanaf lopen. Alles wordt op het trainingsveld maximaal uitgevoerd. De coach is daar nog de baas op het veld.

„Toen ik terugkwam uit Zuid-Korea werd mij vaak gevraagd: ‘Wat heb je met ze gedaan dat ze zo fit waren? Veel loop- en krachttraining?’ Ik antwoordde dan dat ik alleen maar op partijvormen had getraind. Elf tegen elf bijvoorbeeld, of zeven tegen zeven. Binnen de partijtjes waren Hiddink of Pim Verbeek bezig. Als de spelers vermoeid dreigden te worden doken zij er bovenop. Dan kletste Hiddink erin tot op het theatrale af en gooiden die Koreanen er weer een schepje bovenop. Zo kregen ze een conditionele prikkel, verlegden ze hun grenzen. Als Hiddink altijd met z’n armen over elkaar langs het veld had gestaan, waren die spelers nooit zo sterk geworden. De beste coaches hebben de fitste voetballers.”

Zuid-Korea en Hiddink verrasten de wereld en haalden bij het WK in eigen land de halve finale. Verheijen houdt er rekening mee dat de oogst in Duitsland volgende maand een stuk magerder zal zijn. „Ik kan niet ontkennen dat we in 2002 een beetje geluk hebben gehad. Op cruciale momenten viel het dubbeltje steeds de goede kant op. Eigenlijk kan het niet beter meer, het zij zo. Maar één ding is zeker: Zuid-Korea zal zich ook op dit WK weer onderscheiden in fitheid.”

In 2004 werd door Oranje tijdens het EK in Portugal op bescheiden schaal gebruik gemaakt van de diensten van Verheijen. Vanuit een vakantieadres in Albufeira voorzag hij de technische staf van het Nederlands elftal in het trainingskamp ongemerkt van adviezen.

Ook Marco van Basten heeft Verheijen eind 2004 benaderd voor het komende WK. „Ik heb toen bedenktijd gevraagd. Uiteindelijk is het er niet van gekomen. Ik heb met mezelf afgesproken dat ik alleen nog maar dingen doe die ik leuk vind. Van Basten spreekt mij overigens wel aan als bondscoach. Marco praat in voetbaltaal. Hij heeft het over ‘passen’ en ‘druk zetten’. Dat begrijpen spelers. Van termen als ‘mentale weerbaarheid’ of ‘de wil om te winnen’ zakt mijn broek af. Dat zijn vluchtstroken voor trainers die het niet meer weten. Elke voetballer heeft de wil om te winnen. Luister naar Willem van Hanegem. Hij is wél heel oorspronkelijk in zijn taalgebruik.”

De beschikbare internationals van het Nederlands elftal zijn inmiddels begonnen met een eerste stage aan de voorbereiding op het WK. Verheijen verwacht niet dat de omstreden play-offs een negatief effect hebben op de fitheid van de Oranjespelers. „Als je kijkt naar belasting en belastbaarheid zit het probleem meer bij de clubs zelf en dan met name op het gebied van de periodisering. Veel trainers menen ten onrechte dat het periodiseren van de voetbaltraining niet mogelijk is als je regelmatig twee keer in de week speelt. En verder wordt er over de hele breedte in de voorbereiding te hard getraind.”

„Ik zou als trainer die eerste weken benutten om bepaalde automatismen in te slijpen. De trainers maken er bij veel clubs in die beginfase een survival of the fittest van. Als je meteen begint met hard en vaak trainen, treden er al snel kleine blessures op. Op een gegeven moment ontbreken er dan spelers en kun je nooit aan een ingespeeld elftal werken. De play-offs hoeven voor de fitheid van profvoetballers geen nadelige gevolgen te hebben. Maar ik zou wel willen pleiten voor een wat langere winterstop. Nu hadden de spelers een dag of tien vrij. Sommige trainers presteerden het nog om ze in die periode aan hun conditie te laten werken.”

    • Erik Oudshoorn