Kinderen dragen beugel veel korter dan de tandarts denkt

Jongen van 12 krijgt een buitenboordbeugel aangemeten in Nijmegen. De therapietrouw ligt veel lager dan orthodontisten en ouders denken. Foto Hollandse Hoogte Nederland/Nijmegen: 02-07-2004. Jongen van 12 begint aan 1e fase van gebitscorrectie, de buitenboordbeugel. Om deze te bevestigen worden op de achterste kiezen klemmen gelijmd, het harden van de lijm geschiedt met uv-straling. Na 6 maanden worden zgn slotjes op de tanden bevestigd en verdwijnt de beugel. tandheelkunde, orthodontie, Foto: Bert Beelen/Hollandse Hoogte. Hollandse Hoogte

Kinderen dragen hun buitenboordbeugels veel minder vaak dan hun ouders en hun orthodontist denken. De orthodontisten schrijven 14 uur draagtijd per etmaal voor. Zij, en de ouders van de kinderen dénken dat de kinderen de beugels 10 à 11 uur dragen. Maar in werkelijkheid zitten de beugels dagelijks maar gemiddeld 5,6 uur op hun plaats. Dat blijkt uit onderzoek van de psycholoog Annemieke Bos, waarop zij op 30 mei in Amsterdam promoveert. Zij toont aan hoe moeilijk het voor een orthodontist is om de draagduur van een buitenboordbeugel betrouwbaar te schatten.

Het dragen van de buiten de mond bevestigde beugels, waar een nekband aan vast zit, is van cruciaal belang voor kaakherstel, tandstand en voor de ondersteuning van in de mond aangebrachte beugels.

Bos gebruikte een speciaal voor haar onderzoek ontworpen minuscuul apparaatje van 6 bij 16 millimeter dat lichaamstemperatuur registreerde. Het werd verborgen in de nekband van de buitenboordbeugel. Kinderen en jongvolwassenen van 10 tot 22 jaar die voor hun gebitsregulatie met zo’n beugel werden behandeld kregen, zonder dat zij en hun ouders dit wisten, een nekband aangemeten waarin het apparaatje was verstopt. De patiënten waren ofwel net aan hun beugel begonnen, of al een tijd met hun gebitsregulatie bezig.

Een maand later vroeg Bos de kinderen én hun ouders een vragenlijst in te vullen over het dragen van de buitenboordbeugel. Daarin werd gevraagd wanneer en hoe lang zij de beugel droegen en of zij de instructies van de orthodontist opvolgden.

Pas daarna hoorden de ouders en dat de draagtijd was gemeten. De kinderen kregen daarna een nieuwe nekband, zonder apparaatje dat de therapietrouw meet. De ethische commissie van de Vrije Universiteit gaf toestemming om de proefpersonen pas ná het onderzoek te informeren over hun deelname.

Bos enquêteerde ook de orthodontisten over hun verwachtingen over de therapietrouw, en of zij dachten dat kinderen eerlijk antwoordden op hun vragen over de draagtijd van de beugel. Een vergelijking van de uitgelezen apparaatjes en de enquête-antwoorden liet zien dat alle betrokkenen de draagtijd met bijna een factor twee overschatten. De jongste kinderen en de patiëntjes die korter dan acht maanden waren behandeld waren de trouwste dragers.

Bos’ onderzoek is onderdeel van een grotere studie naar therapietrouw in de orthodontie, een weinig onderzocht onderwerp. Ook van medicijnen is bekend dat de therapietrouw meestal veel lager is dan voorschrijvers verwachten. De promovenda concludeert dat het verhogen van de therapietrouw de behandelduur zal verkorten, de kosten zal verlagen en het resultaat van de behandelingen zal verbeteren. M.A.J. Eijkman

    • M.A.J. Eijkman