Kind van weinig woorden

Catherine Snow volgde vijftien jaar lang 80 achterstandskinderen. Een interview.

Berthold van Maris

Catherine Snow: “Bij immigrantenkinderen blijft niet alleen het Nederlands achter, maar ook de thuistaal.” Foto Freddy Rikken 9/3/2006 Foto Freddy Rikken Elisabeth Snow Taalkundige Rikken, Freddy

“De woordenschat van kinderen die 36 maanden oud zijn, kan al variëren van 300 tot 1200 woorden”, vertelt Catherine Snow, hooglereraar onderwijskunde in Harvard. Een kleine woordenschat duidt volgens haar meestal op taalachterstand: “Dat begint al heel vroeg en heeft grote gevolgen in het basisonderwijs. Een kind van acht uit een middenklasse-milieu waarin levendig geconverseerd wordt, kent ongeveer 12.000 woorden. Leeftijdgenoten uit laaggeschoolde gezinnen waar weinig gepraat wordt, komen niet verder dan 4.000.”

Snow was te gast op het internationale congres Childhood Education in Arnhem, waar ze sprak over haar specialisme: taalachterstand bij jonge kinderen. Omdat ze ooit in Amsterdam werkte, spreekt ze goed Nederlands en kan ze de Nederlandse situatie goed vergelijken met die in de VS.

Ze noemt woordkennis “emblematisch” voor taalbegrip in het algemeen. “Naarmate een kind meer woorden kent, kent het ook meer structuren en meer uitdrukkingen. We zijn twintig jaar geleden in de regio Boston begonnen met het volgen van 80 peutertjes van 3, allemaal uit lage milieu’s en Engelstalig. Die hebben we gevolgd tot hun achttiende, om zo een goed beeld te krijgen van hun taalontwikkeling.”

In de vijftien jaar dat het onderzoek liep kregen de gezinnen af en toe een bandrecorder mee naar huis, om de gesprekken tijdens het avondeten op te nemen. Dit materiaal werd geanalyseerd: er werd gekeken welk percentage van het gesprek ‘extended discourse’ was: langere stukken tekst met veel onderlinge samenhang, zoals anekdotes, uitleg en discussie. Snow: “In sommige gezinnen had je vrij veel extended discourse, in andere gezinnen helemaal niet: daar bleef de conversatie beperkt tot ‘Drink je melk eens op’, ‘Ik wil tv kijken’ en zo. We vonden het volgende verband: hoe meer extended discourse aan de eettafel, hoe groter de woordenschat van de kinderen.”

voorlezen

Kinderen met een taalachterstand zijn gediend bij een verrijkte taalomgeving op school, en ook al in de voorschoolse educatie trouwens. “Prentenboeken kunnen daarin voorzien, dat is bekend. Niet zozeer voorlezen, maar erover praten, vragen stellen – open vragen. Niet: ‘Waar is de koe?’ Maar: ‘Wat denk je dat er nu gaat gebeuren?’ Maar je kunt ze niet de hele dag voorlezen, je moet ook andere dingen bedenken. Bijvoorbeeld: we gaan een plattegrond maken van de buurt. We gaan kijken welke winkels er zijn, wat naast elkaar zit en zo. De kinderen moeten erlangs gaan, de winkels benoemen en daarna samen die plattegrond maken. Zo kun je van alles verzinnen. Verfstoffen mengen: als je het geel bij het groen doet, wat krijg je dan? Naar een schoenenwinkel gaan en met mensen daar praten: hoe je schoenen verkoopt. Kijken welke dingen in water zinken en en welke niet. Met magneten spelen en voorspellen wat er dan gebeurt.”

Iets doen en er over praten: het ligt allemaal voor de hand, maar het gebeurt nog veel te weinig: “In de meeste peuterspeelzalen heb je een verkleedhoekje, heel goed, maar dat kan enorm verrijkt worden door de inbreng van een volwassene. Dat het meer wordt dan: nu gaan we eten, nu gaan we naar bed, nu gaan we opstaan.”

puzzelsysteem

Vanaf groep 3 ligt de nadruk vervolgens te veel op het technisch lezen, vindt Snow. “Logisch. Die vaardigheden zijn makkelijk te onderwijzen: letters, woordjes... En ook eenvoudig te toetsen. Je ziet vaak dat immigrantenkinderen het technisch lezen beter oppakken dan de Hollandse kinderen. Immigrantenkinderen krijgen van hun ouders vaak de boodschap: goed je best doen op school, goed oefenen. Je kunt dat technisch lezen puur als een soort puzzelsysteem oplossen. Maar zo gauw het om de betekenis gaat, blijven die kinderen achter.” Collega’s van Snow hebben daarom de taalontwikkeling van Spaanstalige kinderen in de regio Boston bestudeerd: van 4 tot 8 jaar. Ze constateerden over het algemeen een erg lage woordenschat, zowel in het Spaans als in het Engels.

“Ik neem aan dat dat bij Turkse en Marokkaanse kinderen in Nederland ook het geval is”, zegt Snow. “Het is vrij duidelijk wat er gebeurt. Een kind spreekt Berbers, gaat naar een peuterspeelzaal, waar Nederlands wordt gesproken, komt weer thuis, maar kan niet goed met zijn moeder praten over wat het daar heeft meegemaakt. Dat blijft zo, als het kind daarna op de basisschool zit. Al die ingewikkelde dingen die het thuis wil vertellen, dat lukt niet. Die woorden leert hij niet in het Berbers. Dus de thuistaal wordt steeds beperkter. Maar het Nederlands blijft ook achter bij het Nederlands van een Nederlandstalig kind. Zo ontstaat er een dubbele taalachterstand.”

Wat hieraan te doen? In de VS ligt de situatie wat eenvoudiger dan in Nederland: 85 procent van de anderstaligen spreekt daar Spaans. Snow: “Spaans is een wereldtaal, en dan is het niet moeilijk om te zeggen: we vinden het belangrijk dat deze mensen Spaans blijven spreken en ook Spaans leren schrijven. Als ik het puur pedagogisch bekijk, zeg ik: ik vind het zonde als ouders zich gedwongen voelen om met hun kinderen om te gaan in een taal die ze niet goed beheersen. Ze geven dan een slecht voorbeeld. Het levert ook een minder leuke, natuurlijke en rijke conversatie op, met alle nadelen vandien voor de taalontwikkeling van het kind. Helaas merken we in de VS vaak dat Spaanssprekende moeders die het Engels slecht beheersen, tóch zoveel mogelijk Engels met hun kinderen proberen te praten. Ze doen dat met de beste bedoelingen, maar het is nadelig voor die kinderen.”

Snow denkt dat het ook beter is als deze kinderen eerst in het Spaans leren lezen en schrijven: “Als die eerste confrontatie met de code in het Engels plaatsvindt, voeg je een risico toe aan alle risico’s die die kinderen toch al lopen. Dat zie je ook bij al die koloniale onderwijssystemen in Afrika: de kinderen moeten op school plotseling overschakelen op het Frans en na twee jaar is de helft afgehaakt. Bovendien maak je van dat lezen iets dat niks te maken heeft met begrijpen. Een paar jaar later moet je constateren dat ze het lezen niet goed gehecht hebben aan het idee dat je leest om te begrijpen.”

tweetalig

“Het beste is: eerst één of anderhalf jaar lezen en schrijven in het Spaans, daarna overschakelen op het Engels. De studies tonen aan dat de kans op succes dan het grootst is. Het mooie van het Spaans is dat het een heel heldere, gemakkelijke spelling heeft – wat je van het Engels niet kunt zeggen. Voor Marokkanen in Nederland heb je natuurlijk een heel andere situatie: het Berbers wordt niet geschreven en het Arabisch heeft een heel ander schrift. In dat geval lijkt het me handiger om in het begin minder nadruk te leggen op het lezen en meer te werken aan gesproken Nederlands als basis om te leren lezen.”

In de VS liepen veel tweetalige programma’s. In drie staten met veel Spaanstalige kinderen is die tweetalige aanpak een paar jaar geleden per referendum afgeschat. Snow: “Omdat veel van die tweetalige programma’s slecht in elkaar zaten, is de kwaliteit van het onderwijs daardoor niet eens heel erg achteruit gegaan. Normaal ging het zo: je hebt een tweetalige onderwijzer, die om de beurt Spaans en Engels spreekt, en heel vaak niet erg goed. Maar het meest productieve tweetalige programma, dat bijna nergens wordt toegepast, gaat uit van twee verschillende onderwijzers: de een gebruikt Engels, de ander Spaans, en die twee stemmen goed op elkaar af wat ze doen. De een behandelt iets in het Spaans en daarna krijgt het kind dat in het Engels. Dat lijkt het best te werken.”