Hollands dagboek; Frédérique Spigt

Muzikant, componist en tekstschrijver Frédérique Spigt (49) stond afgelopen week voor het eerst als actrice in het theater. Ze speelt samen met haar halfzus Lucy in the Sky, een stuk over de Japanse burgerkampen en hun dode moeder. ‘Gevangen in de catacomben van het theater. Paniekerig heb ik een deur geforceerd.’

Frédérique Spigt: „Op 5 mei 2006 werd ik door een Marokkaanse jongen bevrijd. Ik had hem wel een negerzoen willen geven maar die bestaan helaas niet meer.” Foto Vincent Mentzel Frédérique Spigt (1957),zangeres.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Rotterdam, 25 mei 2006 Mentzel, Vincent
Frédérique Spigt

Vrijdag 5 mei

Vanavond première van Lucy in the Sky, mijn eerste theaterstuk. Het gaat over de Japanse burgerkampen en mijn dode moeder. Ze zat vier jaar in kamp Banjoe Biroe ten tijde van de Japanse bezetting in voormalig Nederlands-Indië.

Gisteren dodenherdenking: in de kleedkamer klonk plotseling een harde gongslag, zo één die ‘de aanvang’ meldt. We schrokken. Door de speaker klonk een stem die vroeg of wij twee minuten stilte in acht wilden nemen voor de oorlogsslachtoffers, daar schrokken we opnieuw van.

Ik heb iets met de dood. Is het niet elke dag dodenherdenking? Iedereen heeft natuurlijk iets met de dood, of je wilt of niet. Ik heb het gevoel dat sterfelijkheid mij levendig maakt, vooral in deze dagen van het toneelstuk.

‘Lucy in the sky’ is gemaakt en wordt gespeeld door mijn halfzus Yolande Bertsch en mijzelf. De regie is in handen van Titus Tiel Groenestege. Corrie van Binsbergen schreef de muziek, die zij samen met de Japanse saxofoniste Naomi Sato in de voorstelling uitvoert. Naomi speelt wonderschoon op de ‘Sho’, speciaal voor Lucy Spigt Dijkslag, mijn overleden moeder. Vijand en slachtoffer bijeengebracht.

Ik heb net een paar Turkse pruimpjes gegeten en zie de pitjes voor mij liggen terwijl ik typ. (Ik bedacht dat, als ik een dodelijk ongeluk zou krijgen, mijn partner die drie pitjes zou vinden en zich zou realiseren dat ik die in mijn nog levende mond heb gehad).

Ik kocht zojuist in ijltempo de ‘toitoitoi’s’ en een tweede passend overhemd. Het andere ruikt naar het apennachtverblijf en ik heb geen tijd om het te wassen. Tenslotte moet je netjes voor de dag komen op een première. Ik zou zenuwachtig moeten zijn, maar ik ben het niet.

Zaterdag

Het was een goede voorstelling. Na afloop champagne, familie en vrienden. Hoe blij je ook bent hen te zien en hun complimenten in ontvangst te mogen nemen, het voelt altijd als een eigen feestje. Je doet iedereen tekort en de gesprekken blijven oppervlakkig door de drukte.

Ik was een der laatsten in het theater en moest snel naar mijn kleedkamer om mijn spullen te pakken omdat alles afgesloten werd, maar ik kon de kleedkamer niet meer vinden. Heb meerdere deuren geopend en weer gesloten en merkte toen tot mijn schrik dat ze allemaal achter mij in het slot vielen. Geen telefoon, gevangen in de catacomben van het theater. Paniekerig heb ik een deur geforceerd waarna ik op een hofje achter een hek terechtkwam. Ik zag niemand op straat. De weg terug het gebouw in, bleek nu ook afgesloten. Ik voelde me een gekooid dier. Na lang ijsberen liep er aan de andere kant van het hek een jongen voorbij. Ik vroeg hem aan te bellen bij de deur verderop in de steeg in de hoop dat iemand van het overgebleven personeel de bel nog zou horen en mij kon bevrijden. Hij vroeg nog of hij even zou blijven wachten tot de hulp gekomen was. Dat hoefde niet, riep ik, hulp zou spoedig komen nu hij iemand had gesproken via de intercom.

Op 5 mei 2006 werd ik door een Marokkaanse jongen bevrijd. Ik had hem wel een negerzoen willen geven, maar die bestaan helaas niet meer.

Het is inmiddels avond. Ik ben de hele middag bij de ‘vrouwen van Anton Heijboer’ geweest. Het boek de ‘filosofie van een oorspronkelijke geest’ door hen, maar vooral door Wim Zonjee en Lotti samengesteld, is prachtig.

Ik was gevraagd een paar woorden te spreken. Eerst werd ik naar een speciaal voor mij ingerichte kleine expositieruimte gebracht van ongeveer 1 meter 40 hoog. Er hing een aantal werken waarvan Joke dacht dat ik ze mooi zou vinden. Ik heb een prachtige Madonna uitgezocht, gebogen.

Later was er pers en waren wij bij elkaar gekropen: Maria, Lotti, Marieke, Joke, Petra en ik. Het spreken ging goed. Daarna dronken we heerlijke champagne. Ik kan niet onder woorden brengen wat voor gevoel het mij geeft als ik bij hen ben. Ik houd van hen, zij zijn echt, net als Heijboer.

In Den Ilp ben ik nog twee Saarlooswolfshonden tegengekomen, die vind ik erg mooi. Als ik in hondenlevens zou tellen kan ik nog twee honden hebben voor ik sterf.

Zondag

Met mijn geliefde en lang gemiste vrienden een verjaardagsfeest gevierd. Eerder op de dag gekeken hoe ingewikkeld het is een parkeervergunning voor Amsterdam te kopiëren. Ik maak me namelijk razend kwaad over de tarieven en het gevoel van ongastvrijheid dat het incestueuze parkeerbeleid teweegbrengt. U ziet, ik begin al aardig te ontspannen. Misschien moet ik eens gaan slapen en is de wereld morgen niet de vijand. Morgenavond vaste radio-uitzending bij Radio Rijnmond en dan samen met hond Lupa naar vrienden in Frankrijk. Daar waar eindelijk alleen het gras en de koeien zijn…en de laptop en een recorder. Want na de zomer moet het nieuwe album uitkomen: ‘Eén Kus’. Bijna alle liedjes zijn af. De bezetting is compleet: Jan van der Meij, Hein Offermans, en bandoneon/accordeonfenomeen Gwen Cressens uit Antwerpen.

Maandag

Een drukke dag, veel georganiseer en nog snel een foto voor de krant. Tas pakken, radio maken, en naar Frankrijk. Recensie gelezen in de Volkskrant door Patrick van den Hanenberg: ‘Lucy in the sky is als een aanzwellende wind, met een paar indrukwekkende stormstoten.’ Ik ben trots, op ons allemaal, ‘Alsjeblieft mam, voor jou’.

Dinsdag

03.30 uur aangekomen à la fermette à renover. Mijn bed is op de hooizolder. Beddengoed ruikt naar een combinatie van mottenballen en Envy van Gucci (de eau de toilette was aangebracht ter compensatie van de mottenballenlucht).

Er was een glasheldere sterrenlucht, ijskoud. Ik heb mijn blauwe overall aangetrokken, dikke sokken aangedaan, mijn Jacques Cousteau-muts met mottengaten opgezet en ben na vier Pernods het klamme bed ingegaan. Het is nu ochtend, er is hier helemaal niks, dat wil zeggen geen mensen, geen verkeer, geen lawaai, geen tv, geen radio. Ik kom hier al twaalf jaar, ook wel eens alleen.

De eerste keer dat ik hier alleen was, zat ik zowat tegen een psychose aan. Je moet het wel oefenen, alleen zijn in de stilte.

Ik heb een inventarisatie gemaakt; er is een winterkoninkjesnest en een torenvalkennest. Vroeg in de ochtend zie je het moeder-winterkoninkje ijverig voedsel brengen. Als zij door het gaatje onder de dakpannen de zolder binnenvliegt, zie je uit het vogelnestje zeven piepkleine kale babyhoofdjes steken van winterkoninkjes met open bekjes. Ik heb er uren naar liggen kijken. Waarschijnlijk overleven er twee, dat hoort zo.

Woensdag

Het gaat niet lukken hoor. Ik kan dit dagboek niet schrijven want ik zit in een spagaat. Ik ben echt gek van fauna, het neemt me volledig in beslag. Je moet hier ook niet heen gaan als je aan het werk bent, mits het hand- en kijkwerk betreft. Ik lees het voorgaande en kom tot de conclusie dat ik eerst moet zien te landen na alle stress en drukte. De laptop gaat uit en ik ga een pernodje nemen.

Donderdag

Stukken beter. Weliswaar zijn er nog maar 3 winterkoninkjes over, maar ik heb een wonderschone ervaring gehad. De avond viel en ik liep achter het huisje. Plotseling zag ik een edelhert! Heel dichtbij! Ik wilde naar binnen rennen en de anderen roepen. Toen realiseerde ik me dat hij dan zou schrikken en dat niemand hem meer zou zien. ‘Dit was dus mijn moment’. Ik ben gebleven en heb gekeken tot hij weg was. Hij heeft mij ook enige tijd aangekeken.

Vrijdag 12 mei

We zijn bij ‘De tand’ geweest, een man met één tand. Hij wordt beschouwd als de gek in de buurt, maar ik mag hem wel. Hij maakt vaak obscene gebaren, maar hij kan het niet helpen. (Hij heeft ook kaasfondue tussen zijn tanden en jaarringen in zijn pet van het zweet). Hij noemt mij ‘sa chanteuse’. We krijgen hele vieze koffie en daarna lange vingers met witte wijn. We drinken uit glazen waar je niet meer doorheen kan kijken en waar dode vliegjes op zitten. Toch gaan we steeds weer langs. Het is alsof je in de Middeleeuwen beland bent, heel bijzonder.

Het is ook zo mooi dat de plavuizen bij het raam door de jaren heen helemaal uitgehold zijn. Hij loopt daar veel om uit het raam te kijken, naar de kippen of hopend dat er misschien iemand langskomt.

Ik begin te landen geloof ik; net vuur gemaakt en ik veeg mijn mes weer aan mijn broek af. Ik heb trouwens toch zeven jonge winterkoninkjes zien vliegen.

    • Frédérique Spigt