Hogere vogeltaal 1

Sander Voormolen bespreekt het vermogen van spreeuwen om georganiseerde reeksen zangmotieven te herkennen (W&O 29 april). Wat zangvogels kunnen is inderdaad erg interessant, en een verre connectie met het menselijk taalvermogen kan niet worden uitgesloten. Maar waarom wordt elke bevinding op dit terrein gepresenteerd als een probleem voor de theorie van Chomsky omtrent het aangeboren taalvermogen? Die theorie voorspelt niets over het taalvermogen bij dieren; of ze het hebben is een empirische kwestie. Als dieren blijken te kunnen machtsverheffen volgt niet dat mensen geen rekenvermogen hebben, hooguit dat ze een zeker vermogen met andere soorten delen. Mogelijk speelt hierbij een rol dat de wetenschapsredactie meent dat het idee van een genetisch bepaalde cognitieve basis voor taal omstreden is. Dat is niet zo, omstreden is hooguit de vraag hoevéél van het taalvermogen aangeboren is. Het artikel bevat nog enkele storende fouten. Ten eerste veronderstelt Voormolen dat grammatica in de visie van Chomsky `regels voor de woordvolgorde` bevat. Dat is onjuist, er is slechts sprake van één operatie die twee elementen met elkaar verbindt; die operatie wordt recursief toegepast, waardoor structuur ontstaat (grammatica gaat dus niet over volgorde maar over structuur, en spreeuwen moeten niet volgorde maar structuur herkennen willen de bevindingen relevant zijn). Ten tweede wordt de kern van het artikel van Hauser, Chomsky en Fitch uit Science van 2002 onjuist weergegeven: daar wordt gesteld dat het verschil tussen mens en dier mogelijk slechts hierin bestaat dat alleen de mens recursieve operaties heeft weten in te zetten ten bate van een systeem van communicatie (het spreeuwenexperiment werpt hier geen nieuw licht op). Ten derde worden Hauser en Fitch ten onrechte taalwetenschappers genoemd: Hauser is een evolutionair bioloog/psycholoog en Fitch een cognitiewetenschapper gespecialiseerd in dierencommunicatie.