Haastige expo-Villepin

De tentoonstelling La Force de l'Arte wil laten zien dat Franse kunst internationaal nog meetelt. Maar curatoren en kunstenaars weigerden mee te werken en critici hekelen de haast.

Franse premier Dominique de Villepin in het Grand Palais (Foto AFP) French Prime Minister Dominique de Villepin visits 09 May 2006 the Grand Palais in Paris, to see the exhibition of French contemporary art called "The Power of Art", some 350 works by about 200 French artists or artists working in France. The exhibition has 15 curators comprised of artists, art critics, cultural institution heads who were given carte blanche to choose known or unknown artists. AFP PHOTO FRED DUFOUR AFP

René Moerland

Acht maanden geleden dwaalde de Franse minister van Cultuur, Renaud Donnedieu de Vabres, alleen tussen het publiek door het Grand Palais in Parijs. Hij wilde nog even stil genieten, zei hij, van het monument dat hij een dag eerder, na twaalf jaar renovatie, had heropend. Hardop droomde hij over grootse evenementen in het paleis. Een conferentie over Europa bijvoorbeeld, of een overzicht van hedendaagse Franse kunst.

Zo gedroomd zo gedaan. Wie nu het Grand Palais betreedt, komt tot 25 juni terecht in een schijnbaar slordig decor van stellages, houten schuttingen en gordijntjes, die intimiteit moeten garanderen aan de werken van 170 kunstenaars. Geen Europa dus, maar de tentoonstelling La Force de l’Arte.

Het is de eerste aflevering van wat een driejaarlijkse presentatie moet worden van de stand van zaken van Franse kunst. De geselecteerden zijn overigens niet allemaal Frans: wie in Frankrijk woont, hoort erbij. Op de ‘Triënnale van Parijs’ wil Frankrijk laten zien dat het internationaal nog meetelt in de kunst. Zoals het Verenigd Koninkrijk dat doet op de Londense Tate Triënnale en de Verenigde Staten op de biënnale in het Whitney Museum in New York. Maar in Frankrijk is de expositie omstreden.

Het begon er al mee dat premier Dominique de Villepin de expositie persoonlijk aankondigde, afgelopen oktober, op de jaarlijkse kunstbeurs. Villepin klaagde toen hardop over het gebrek aan internationale uitstraling van de hedendaagse Franse kunst. De socioloog Alain Guemin constateert al sinds 1991 in opdracht van het ministerie van Cultuur dat de Franse kunst aan een neergang bezig is. In de versie-2005 van het rapport-Guemin zijn de conclusies niet anders. Nog maar vier Fransen horen volgens dit overzicht bij de mondiale ‘top-honderd’ van artistieke reputaties: Christian Boltanski (10e), Pierre Huyghe (41e), Daniel Buren (63e) et Sophie Calle (74e).

Villepin bleek een voortvarende kunstpatriot. Hij gaf zijn minister van Cultuur zeven maanden om de triënnale – waarover al tien jaar vruchteloos werd gesproken – van de grond te krijgen en de Franse kunst „een nieuwe zichtbaarheid” te geven.

Dat bleek niet eenvoudig. Verschillende curatoren weigerden omdat zij de voorbereidingstijd te kort vonden. Uiteindelijk kwam er een college van vijftien samenstellers, die pas eind maart begonnen te overleggen.

In de wandelgangen kreeg de tentoonstelling de bijnaam ‘expo-Villepin’ – een cynische verwijzing naar de expo-Pompidou uit 1972. Deze op verzoek van president Georges Pompidou georganiseerde expositie leidde tot gevechten op straat. Voor Villepin bleef de schade beperkt tot enkele weigeringen van kunstenaars, onder wie Gérard Fromanger, om op de expositie vertegenwoordigd te zijn.

Weinig critici zijn tevreden over de expositie: het ontbreekt volgens de meesten aan eenheid, artistieke keuzes, en niet alle grote namen zijn vertegenwoordigd. De haast, menen ze, heeft de tentoonstelling geen goed gedaan.

Villepin is wel vertegenwoordigd. Op een portret van de hand van de Chinese schilder Yan Pei Ming uit Dijon. De Franse krant Le Monde vatte het op als een hommage aan het initiatief van de premier. Alleen, deze Villepin sluit naadloos aan op een ander portret van Yan Pei Ming, iets verderop, van Emile Louis, bekend Frans zedendelinquent. En in het schilderij de Hel van Stéphane Pencreach komt de premier ook voor. In een chaos van nieuwsbeelden en prostituées.

    • René Moerland