Gefeliciteerd! Uw kind is soldaat van de maand

In Montana werft het Amerikaanse leger relatief de meeste militairen voor de slepende oorlog in Irak. Hoewel ze vaak gebroken terugkeren van het front, laten steeds meer jonge vrouwen zich strikken. Over de onschuld van het Amerikaanse platteland, ‘that non winning feeling’ en een rijkeluisoorlog: „Wát ze ook zeggen: je gaat naar Irak.”

De weg naar Polson in Montana in de Verenigde Staten Foto Tom-Jan Meeus Meeus, Tom-Jan

Als je door de Rocky Mountains naar Canada rijdt, in een landschap van spitse rotsen en eeuwige sneeuw, is de kans groot dat je Browning links laat liggen. Een grijs plateau met hier en daar een keet. Autokerkhoven. Voetbalveldjes zonder gras. Kinderen die lurken aan een fles drank. Maar de personeelswervers van het Amerikaanse leger laten Browning nooit links liggen – en Keith Heavyrunner weet waarom. Hij is een loensende vijftiger en coördineert in deze regio de opvang van militairen die terugkeren van het front. Zeventig tot tachtig procent van de beroepsbevolking in Browning is werkloos. Bedrijvigheid ontbreekt.

Alcoholisme onder jongeren is er een epidemie – twee jaar terug dronken twee jongens van 11 zich letterlijk dood. Wie uit deze mistroostige wereld wil ontsnappen heeft één kans: het leger. Zo gebeurde het dat Shalie Boggs (23) in 2004 vertrok naar Irak. Go, Shalie, go! zei haar vader, een ambtenaar. Dit was haar kans. Eén jaar Irak en Shalie Boggs zou haar droom verwerkelijken: dankzij steun van het leger zou ze daarna de dure business school gaan volgen, die haar ouders onmogelijk konden betalen.

Nu zit ze erop, maar of het dat waard was? Ze vertelt kalmpjes dat ze bij een helikoptereenheid werd ingedeeld. Ze moest sporadisch aan gevechtshandelingen deelnemen. Dat was: snel schieten, anders schieten zij. Ze vertrok met het idee dat de VS een democratie in Irak wilden vestigen. Ze vond het een eer haar land te verdedigen, ze had respect voor de president, háár president. Dat is ze allemaal kwijt. „Dit is een rich man’s war”, zegt ze afgemeten. „Dit gaat om politiek, om olie – niet om mensen.”

Aanvallen vond ze niet erg. Aangevallen worden – dat hakte erin. „Als je éénmaal bijna door een bom bent geraakt, krijg je een angst over je die je nooit meer kwijtraakt.” Ze merkte het pas toen ze terug was. „Ik ben een ander mens geworden. Ik zal nooit meer de rust vinden die ik had.’’

Shalie Boggs weet zich nog te redden, vertelt Keith Heavyrunner. Maar steeds meer jonge mensen die terugkeren kunnen hun ei niet meer kwijt. Het resultaat is dat er voor het eerst sinds de jaren zestig weer zwervende oud-strijders in de omgeving van Browning zijn. „Ze kunnen de rusteloosheid niet temperen, ze aarden niet meer.”

Obsessie

Irak. Altijd maar Irak. Wie zich vanuit Europa in de VS vestigt, wordt verrast hoezeer de VS worden geobsedeerd door de oorlog in Irak. Ga lunchen op het platteland van Alabama en de serveerster zal je zomaar het strategische belang van de Iraakse stad Baquba uit de doeken doen. Bezoek de redactie van The New York Times in Washington en zie dat er één kaart aan de muur hangt, van Irak. Sla de kunstpagina’s op en leer waarom Neil Young opnieuw de blits maakt: zijn nieuwe cd staat vol anti-Irak-liedjes. Analyseer de populariteitscijfers van de president en stel vast dat er één verklaring is voor zijn val: Irak. Bekijk de nieuwste uitzending van Sesamstraat en zie wat Elmo overkomt: zijn vader gaat naar Irak. Het zijn reacties op wat hier that non winning feeling is gaan heten.

Deze maand is het drie jaar geleden dat George W. Bush op televisie kwam vertellen dat de missie volbracht was. Nadien is de regering in een soort verdoofde staat blijven hameren op haar successen – Saddam verdreven, grondwet aangenomen, succesvolle verkiezingen gehouden. Maar het dodental staat nu op ruim 2.400, en vorige maand lieten zeven ex-generaals weten dat het onder minister van Defensie Donald Rumsfeld onmogelijk is deze oorlog te winnen. Een studie in opdracht van het Pentagon leerde begin dit jaar dat het Amerikaanse leger de uitputting nabij is. En inmiddels acht de bevolking de kans klein dat de Amerikanen het land ooit nog zegevierend zullen verlaten.

Het neemt niet weg dat de oorlog gewoon doorgaat, en dat de troepen steeds ververst moeten worden: de meeste legeronderdelen sturen hun mensen voor anderhalf jaar naar de oorlog en beloven dat ze daarna zeker twee jaar niet terug hoeven. Dit vergt dat keer op keer nieuwe mensen bereid worden gevonden het Iraakse slagveld in te trekken.

Volgens cijfers van het Amerikaanse bureau voor de statistiek worden relatief de meeste nieuwe rekruten geworven in het noord-westelijke Montana, een staat tienmaal zo groot als Nederland waar minder dan een miljoen mensen wonen. Vooral in het westelijke deel van de staat, rond de Rocky Mountains, waar de indianenstammen van de Blackfoot en de Flathead Nation worden omringd door gemeenschappen met veel blanke armoede, boeken de personeelswervers van het Amerikaanse leger hun grootste successen. En de laatste jaren slagen ze met name bij een nieuwe doelgroep: jonge vrouwen – al beseffen die niet altijd waar ze voor tekenen.

Francis Beum (18) vertelt dat ze opgelucht is. Bevrijd bijna. Ze zit in een klaslokaal van de high school in Polson, een paar honderd kilometer ten zuiden van Browning. Twee weken terug heeft ze besloten bij de luchtmacht te gaan. „Ik hoop dat ik, you know, nu ook het giechelen zal afleren.” Een jaar geleden kon ze zich niet voorstellen dat ze ooit beroepsmilitair zou worden. Voor al die dingen die haar leeftijdgenoten zo graag doen – schieten, jagen, de bergen in – had ze geen belangstelling. Ze bleef liever binnen. Lezen, tv kijken, videogames spelen.

Maar toen kwam vorig jaar de ASVAB, de Armed Services Vocational Aptitude Battery. Dat is een beroepstest van het leger en daar doet iedereen in het één na laatste jaar aan mee. „Dan krijg je een dag vrij van school.” Ze scoorde hoog en nadien werd ze door alle legeronderdelen gebeld. „Ze zeiden: ‘We komen naar je school, wil je met ons praten?’ Ik voelde me vereerd.”

Beum is de dochter van een bouwvakker en een huisvrouw. Een universitaire studie was voor haar onbetaalbaar. Ze vertelde de personeelswervers dat ze gefascineerd is door de manier waarop in televisieseries moorden met moderne opsporingstechnieken worden opgelost. De luchtmacht bood aan om haar rechtenstudie te betalen. In ruil moest ze voor minimaal vier jaar tekenen. Het luidde een van de gekste periodes in haar leven in. Ook de landmacht en marine dongen naar haar hand. „Ik kon onderhandelen. Cool!” Een bijzaak bepaalde haar keuze. „De doorslag gaf dat het introductiekamp – trainen in de bossen – bij de luchtmacht het kortste is. Ik ben niet zo fysiek.” Wat ze precies gaat doen, moet nog blijken. Ze denkt aan vliegtuigen repareren of controleren, misschien wordt ze piloot. „Stuff like that.”

Waar ze terechtkomt, weet ze ook nog niet. Irak? Het zou kunnen, al zei de personeelswerver dat de kans klein is. „Maar ik steun de oorlog en ben eventueel bereid te gaan. We moeten de terroristen bestrijden. Anders pakken ze ons.”

Het is helaas een feit, vertelt Dan Kimzey (34), de adjunct-directeur van de high school in Polson, dat de meeste wervers van defensie niet de hele waarheid vertellen: wie kiest voor de strijdkrachten, gaat dezer dagen vrijwel automatisch naar Irak. Maar dat zeggen de wervers meestal niet. Ze relativeren de kansen, ze praten het weg. „Leerlingen met arme ouders krijgen super sweet deals aangeboden. Ze vergeten de risico’s en denken: ik ben gek als ik dit niet doe.”

Maar als ze hem om advies vragen – wat niet iedereen doet – beklemtoont hij de keerzijde. „Wát ze ook zeggen: je gaat naar Irak. En: Irak is een groot risico.”

Jonge vrouwen worden verder vaak gerustgesteld omdat ronselaars vertellen dat vrouwen nooit bij gevechtseenheden worden ingedeeld. Maar ook dat wekt een verkeerde indruk: in Irak bestaat geen frontlinie. „Iedereen is een mogelijk doelwit, iedereen is gewapend en moet zich verweren. Ook een vrouwelijke chauffeur of monteur.” Dan Kimzey weet van de hoed en de rand. Tot begin vorig jaar zat hij zelf zeventien maanden in Irak. Hij is reservist, een erfenis van de studiebeurs die hij vijftien jaar terug van het leger kreeg. Kimzey is „een beetje cynisch” van het front teruggekeerd, vertelt hij blozend. De regering heeft de risico’s onderschat, de soldaten knappen het op. Maar daar kan je als militair beter niet te lang bij stilstaan – en hij citeert, opnieuw blozend, een oude soldatenwijsheid: Mine is not to wonder why. Mine is but to do or die.

Van Irak herinnert hij zich vooral het ontroerende moment van een illegale Mexicaan die met de VS meevocht en ter plaatse in een officiële ceremonie het Amerikaanse staatsburgerschap kreeg toegekend: de volgende dag werd hij opgeblazen. „Daar word je zó ziek van.” Het leger trekt alweer aan hem – wil hij terug? Alleen als het moet, niet meer als vrijwilliger. Het valt hem ook op dat het leger de binnenlandse gevolgen van de oorlog onderschat. Hij was hij nog geen jaar onderdirecteur in Polson toen hij voor Irak werd opgeroepen. In een paar dagen was hij gevlogen. Zijn school zat met een gat in de staf. „De organisatie was een rotzooi.”

En toen hij terugkwam – hij was tijdens zijn verblijf in Irak vader geworden – kreeg hij tien dagen, daarna moest hij weer aan het werk op school. Nog maanden had hij onrustige nachten. „Ik heb nog vele aanslagen overleefd.” Optimistisch over de afloop is hij allang niet meer. „We hebben een blik wormen opengemaakt. Maar we kunnen de troep helaas zo niet achterlaten.”

Jager

Montana is een Red State – mensen stemmen overwegend Republikeins, en het vertrouwen in het opperwezen is er vrijwel onwankelbaar. Montana is bijna alleen maar platteland. Kinderen groeien er op in een gehard buitenleven van wilde paarden en beren. Mensen jagen, iedereen draagt een wapen – kinderen beginnen op hun zesde al met blikjes schieten. „Dat is het populairste kindervertier”, zegt Kimzey.

Onwetendheid en onschuld stimuleren de strijdlust. Op de high school in Polson legt Devon Blankenhorn (18), een pokdalige, lange slungel, verlegen uit dat de wervers van defensie voor hem geen moeite hoefden te doen. Hij had zelf al bepaald dat het Irak wordt. Sniper wil hij zijn, sluipschutter. „Ik ben een jager. Schitterend vind ik dat.” In augustus begint hij bij de landmacht. „In Irak verdedig ik mijn land”, zegt hij. Dat mensen daar tegen kunnen zijn, en er zelfs tegen demonstreren, dat vindt hij onvoorstelbaar. „Ik denk altijd: en als jullie families nou eens door de terroristen worden vermoord?”

Hij verslindt militaire lectuur – thuis heeft hij vier- á vijfhonderd boeken over militaria op zijn kamer staan. Zijn vader is zijn voorbeeld; hij vocht in Vietnam. Hij heeft wel eens gelezen dat militairen paranoïde van de oorlog terugkwamen. Het zal hem niet overkomen. „Je moet een beetje koel blijven.”

Ouders vormen in deze contreien zelden een beletsel voor de militaire ambities van hun kinderen. In Saint Ignatius, vijftig kilometer zuidelijk van Polson, wonen Charlene en Roy Anderson op een afgelegen boerderij aan de voet van de Rockies. De tocht ernaartoe voert over onverharde weggetjes, waar de radio alleen nog christian rock en kerkdiensten ontvangt. De Andersons zijn de ouders van tien kinderen en hun twee oudsten zitten in het leger.

Vorige maand belde de Valley Journal, het huis-aan-huisblad. „Gefelicitéérd. Uw kinderen zijn de militairen van de maand!” Een manier om de Irak-gangers uit de regio te steunen. Ze mochten voor de krant op de foto met een stichtelijke tekst op de achtergrond: Freedom isn’t Free. Trots waren ze. Zo trots.

Ze leven sober – geen computer – en volgens voorschriften van de mormoonse kerk. De hele familie zit op worstelen. Fysieke beheersing is belangrijk, zegt de vader. Blijmoedig vertellen ze dat ze van hun oudste, Blake (23), een jaar niets hoorden toen hij in Irak zat. Hij belde niet, legde hij later uit, want hij mocht toch niets zeggen. Pas nadat hij terugkwam, hoorden ze dat hij bommen ontmantelde. En dat ze op hem schoten, als hij aan het werk was. Hij zei dat het went, vergoelijkt de vader.

Hun oudste dochter, Sariah (20), ging tot hun verrassing onlangs bij de marine. Ze studeert er vliegtuigtechniek en wil liever niet naar Irak, maar garanties heeft ze niet. Na haar komt Grant (17), die nog thuis is maar over een jaar moet beslissen over zijn toekomst. De ouders zullen ook zijn studie niet kunnen betalen, en werk in Saint Ignatius is schaars. „Het zal het leger wel worden’’, zegt Grant met een dromerige blik.

Andere kinderen zullen volgen, zegt de vader. „De boerderij heeft geen toekomst dus het leger zal ook voor mijn jongere kinderen een uitkomst zijn.” De oorlog schrikt hem en zijn vrouw niet af. Ze vinden dat de VS moeten terugvechten tegen de terroristen, al duurt het nog jaren. En iedereen moet een bijdrage leveren, zegt de moeder. „Als onze kinderen sneuvelen, zou dat een klap zijn. Maar ik zou er niet boos over zijn, ik zou het de president niet verwijten. Ik zou het accepteren.”

Duizend kruisen

Toch smeult ook in Montana het verzet tegen de oorlog. Even ten noorden van Saint Ignatius staan langs Highway 93 honderden kruisen in een weiland geplant. Ze zijn eigendom van Thomas Spearhead Swaney (75), voor de babyboomgeneratie in de VS een oude bekende: in de jaren zeventig was Swaney een kopstuk van het indianenverzet tegen de oorlog in Vietnam. Later leidde hij acties ter bescherming van het milieu. Maar de roem steeg hem naar het hoofd. „Ik luisterde niet meer naar de mensen. Ik wilde alleen nog op tv.” Zijn eigen stam, de Flathead, stemde hem weg. „En terecht.”

Sinds eind vorig jaar is hij back in business, zoals hij het zelf noemt. Hij was zo ontsteld over de dood van de eerste indiaanse vrouw in Irak dat hij niet langer wilde toezien. Mannen zijn nu eenmaal zo dom dat ze zich altijd beschikbaar stellen voor oorlog, zegt hij. Maar dat de regering om de uitgeputte troepen te redden nu ook jonge vrouwen het leger in lokt, zelfs indiaanse vrouwen – dat vindt hij de bloody limit.

In een paar maanden timmerde hij met zijn oude lichaam een duizend kruisen. Roze voor de gestorven vrouwen. Bordeauxrood voor de gesneuvelde indiaanse. Witte voor de gevallenen uit Montana. Het doel is uiteindelijk voor alle 2.400 gevallenen een kruis op te richten, maar Swaney heeft het beoogde effect al bereikt. De actie slaat aan. Fotografen en cameraploegen houden halt. Kranten schrijven weer over hem. Hij is zelfs gebeld uit Texas. Op zijn pet draagt hij een button: Zet Bush Af. „Daar gaat dit om”, zegt hij. „We zijn daar alleen nog omdat hij zijn blunders niet kan toegeven.”

Intussen wordt het onbehagen over de oorlog vooral gevoed door de verhalen van de teruggekeerde militairen. Zo ondervinden de personeelswervers van defensie zelfs in Browning problemen met het rekruteren van nieuwe soldaten, vertelt Keith Heavyrunner. „Het begint te veel op Vietnam te lijken”, zegt hij.

In Browning woont ook Rebecca C. Crawford (45). Zij was, als een van de weinige vrouwen in de eerste Golfoorlog, jaren het voorbeeld voor jonge vrouwen die in Montana het leger in wilden. Nu zit ze in therapie, en is ze – hevig teleurgesteld – uit het leger gestapt.

Ze vertelt dat ze in 1990, ze was 29 jaar en huisvrouw, de leegte en lusteloosheid van Browning niet meer kon verdragen. Een vriend bracht haar, tot woede van haar familie, in contact met de landmacht en twee maanden later trok ze tijdens de eerste Golfoorlog Irak binnen. Ze had een administratieve baan, maar dat maakt weinig uit als je eenheid met Scud-raketten wordt belaagd, zegt ze nu. Ze droomt er nog van.

Daarna deed ze vijftien jaar parttime bureauwerk voor het leger. Totdat enkele maanden voor de tweede Golfoorlog in 2003 haar fysieke gesteldheid werd getest: uitmuntend. „Ik werd bij de infanterie ingedeeld. Ik ben als soldaat Irak ingetrokken, ik heb alles gedaan wat de mannen deden. Ik vond het een kick.”

Het werd een deceptie. Deze oorlog is zo tegenstrijdig, zegt ze. De mensen die de VS beogen te helpen, vallen de VS aan. Het slagveld is overal en nergens, dus de slag wordt nooit gewonnen. De meeste Amerikaanse soldaten vechten zelden, maar voelen zich constant onveilig. „We bereiken niet veel. We zijn alleen doelwit van terroristen.”

Haar ergste moment kwam toen ze op een dag een meisje van een jaar of acht in de ogen keek. Ze droeg een rugzakje. Een paar meter achter haar een oudere vrouw, kennelijk haar moeder, ook een rugzakje. Ze liepen in de richting van het kamp dat Crawford bewaakte. Een collega begon wilde gebaren te maken: zelfmoordaanslag! ZELFMOORDAANSLAG!

Ze had geen twee seconden om na te denken. Ze ging loos. Eerst op het kindje, daarna de vrouw. Tientallen kogels. Uit onderzoek bleek later dat het meisje inderdaad een bom bij zich droeg, de vrouw niet. „Wij kunnen dit niet oplossen”, zegt ze. „Die mensen gaan naar de hemel. Als we ze neerschieten, winnen ze óók.”

Ze kan het meisje niet uit haar gedachten bannen. Die ogen, die doodsverachting. Ze loopt er nu al twee jaar mee rond, maar nog steeds zijn er dagen dat het huilen niet ophoudt. Ze begrijpt jonge vrouwen die voor het leger kiezen om dit oord te verlaten – dat deed ze zelf immers ook. Het is niet aan haar om hun dat te ontraden. „Als ze me advies vragen, vertel ik ze mijn verhaal. Dan weten ze genoeg om zelf te beslissen, denk ik.”

    • Tom-Jan Meeus