Engagement druipt van Afrikaanse biënnale

Op de zevende editie van de biënnale van Dakar tonen Afrikanen hun kunst. Veel engagement, oud ijzer en afgedankte flessen. „Wij kunnen het sombere beeld van Afrika bijstellen.”

Bezoeker bij een werk van Ousmane Mbaye, Senegal Foto Pierre Holtz Holtz, Pierre

Sommige inwoners van Dakar vragen zich vertwijfeld af hoe de regering uitgerekend deze week de belangrijkste verkeersader van de stad kon sluiten. Immers, de sluiting van de weg valt net samen met de openign van de biënnale van Dakar, Dak’Art.

Maar de curatoren laten geen onvertogen woord vallen. Zij zijn allang blij dat ze erin geslaagd zijn de tentoonstelling in tien maanden in elkaar te zetten. Dak’Art is de enige grote tentoonstelling van hedendaagse Afrikaanse kunst die op het continent wordt georganiseerd. Deelname aan de tentoonstelling betekent niet alleen erkenning en zichtbaarheid voor vaak onder moeilijke omstandigheden werkende kunstenaars, het is ook een springplank naar de rest van de wereld. Galeriehouders en vertegenwoordigers van musea uit de hele wereld komen erop af.

De belangstelling voor kunst uit Afrika is weer toegenomen, zegt de uit Zimbabwe afkomstige Barbara Murray, een van de zeven curatoren. „Volgens mij zit westerse kunst in een impasse”, aldus Murray. „Heel intellectueel en steriel, ook al zullen westerse kunstenaars dat nooit toegeven. We lijken nu in een periode te zitten dat de kunst-elite weer inspiratie komt opdoen in Afrika.”

De zevende editie van de biënnale speelt zich af op tien verschillende locaties, maar naast de officiële selectie wordt ook in hotels, galeries en zelfs een kapsalon werk geëxposeerd van kunstenaars en ontwerpers die niet zijn uitgekozen. Aan de officiële biënnale mochten dit keer alleen kunstenaars meedoen die uit Afrika komen of Afrikaanse voorouders hebben. Een omstreden keuze die niet bij iedereen in goede aarde viel. Zo werd de Afro-Amerikaan William Pope wel geselecteerd, maar vielen westerse kunstenaars die in Afrika wonen af. In totaal zijn 87 kunstenaars vertegenwoordigd, onder wie elf Senegalezen. Naast gevestigde namen als Brahim el Anatsui (Ghana) en Frederic Bruly Bouabre (Ivoorkust), die vorig jaar al te zien waren tijdens Africa Remix in Parijs, geeft de biënnale goed inzicht in wat jonge, onbekende kunstenaars van Algerije tot Angola bezighoudt.

Moeilijk te begrijpen is dat meestal niet. Bij hooguit een handjevol werken wordt uitleg gegeven. In het geval van een aantal raadselachtige schilderijen en video’s is dat jammer, maar ook zonder handleiding komt de bezoeker ver. Bij de ingang van het museum voor moderne kunst IFAN stuit hij meteen op een metershoog rond hek waarin her en der gescheurde kleding hangt, een tas, een versleten schoen. De lompen waaien triest in de wind. In het midden, onbereikbaar, staat een gesloten, goudgerande deur op een rode loper. De installatie van de Ivoriaan Jems Kokobi gaat overduidelijk over de Spaanse enclaves in Marokko waar duizenden Afrikaanse gelukszoekers heen trekken om zich een toegang tot Europa te forceren.

Het werk van Kokobi zet de toon. Verderop in het plantsoen staat een gigantische muur vol legergroene jerrycans waaraan staven dynamiet zijn bevestigd. De Nigeriaan Emmanuel Eni heeft zijn installatie Israel & Palestina genoemd, een bijna overbodige titel. De Senegalees Lo Ndang heeft een hele ruimte gewijd aan de voorvechtster van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging Rosa Parks. Elders zie je een schilderij met vrolijk gekleurde stembussen, T-shirts met de beeltenis van Osama Bin Laden, een vrolijk maar op het eerste gezicht onopvallend bordspel met de titel Democratie en een optocht van gehelmde schildpadden die richting vrede marcheren. Het engagement druipt ervan af. De meest prestigieuze prijs van de biënnale, de Leopold Sedar Senghor-prijs, werd toegekend aan de Marokkaan Mounir Fatmi. Met historische foto’s, een video en archiefmateriaal van de FBI vertelt hij over de strijd van de zwarte beweging Black Panthers.

Een andere rode draad in Dak’Art is het materiaal dat veel kunstenaars gebruiken. De voorliefde voor afgedankte flessen, plastic zakjes, hout en oud ijzer is typerend voor veel Afrikaanse kunst. Dat levert soms buitengewoon houterige composities zonder zeggingskracht op, maar hier in Dakar zijn het vooral Nigerianen die daar schitterende dingen mee doen. De van waterzakjes aan elkaar genaaide, zacht ritselende regenjassen van Bright Ugochukwu Eke bijvoorbeeld, die net als zijn landgenoot Bruce Onobrakpeya inspiratie haalt uit de rijke Nigeriaanse kunstgeschiedenis.

Engagement staat hoog op de agenda, zegt curator Murray, want „politiek in Afrika is nu eenmaal erg in beweging”. Volgens Ousseynou Wade, algemeen directeur van Dak’Art, kijken jonge Afrikaanse kunstenaars steeds vaker over de eigen grenzen heen. „Het is logisch dat de nieuwe generatie zich uitspreekt over oorlog, dictatuur, armoede en hongersnood, want dat zijn sociaal-maatschappelijke problemen waarmee ze worden geconfronteerd. Maar ik denk dat de biënnale tegelijkertijd het sombere beeld van Afrika bijstelt. Deze kunstenaars hebben ook iets te vertellen over de sociale dynamiek van Afrika, onze kennis, onze solidariteit.”

Dak’Art 7, t/m 5 juni in Musee de l’IFAN en diverse andere locaties in Dakar. www.dakart.org

    • Pauline Bax