Eén van de achttien

De gisteren in kleine kring begraven verzetsman Bill Minco overleed vorige week vrijdag op 83-jarige leeftijd. Het was die dag 5 mei, Bevrijdingsdag.

Sebil ‘Bill’ Minco werd op 21 mei 1922 geboren in een niet-religieus joods gezin en groeide op in Rotterdam. Op 14 mei 1940 was hij staand op het dak van zijn school getuige van het bombardement op de stad. Verontwaardigd over wat hij gezien had, raakte hij betrokken bij het verzet. Hij was actief in de Geuzenorganisatie. Daarover zei Minco in een interview in 1995: „Ach, het was heel lichtzinnig en jongensachtig. We maakten kaarten en knipten Duitse telefoonkabels door.”

De Duitsers dachten daar niet zo makkelijk over. Nadat Minco en zijn kameraden waren verraden, werd hij op 4 maart 1941 ter dood veroordeeld. Samen met 17 andere Geuzen wachtte hij in het Oranjehotel in Scheveningen de voltrekking van zijn vonnis af. Over deze 18 mannen schreef Jan Campert zijn beroemde gedicht ‘Het lied der achttien doden’.

Minco’s vonnis werd echter niet voltrokken. Omdat hij minderjarig was, werd zijn straf omgezet in levenslang. Hij werd op transport gezet naar Duitsland, waar hij anderhalf jaar doorbracht in eenzame opsluiting in het tuchthuis Untermassfeld. Om zijn verstand te bewaren leerde hij hele stukken van Goethe’s Faust uit het hoofd.

In het voorjaar van 1943 werd Minco overgeplaatst naar Mauthausen, waar hij in de beruchte steengroeve werd tewerkgesteld. In augustus volgde transport naar Auschwitz. Toen de Russen in januari 1944 dat vernietigingskamp naderden, dreven de Duitsers iedereen die nog lopen kon in een dodenmars westwaarts. Minco belandde in Dachau, dat in februari 1945 door de SS ontruimd werd. In de buurt van het kamp werd hij door de Amerikanen bevrijd.

Na de oorlog was Minco actief in verschillende organisaties van het voormalig verzet, onder meer als voorzitter van Stichting Geuzenverzet. In 1997 verschenen zijn memoires ‘Koude voeten’. In 1999 ontving hij uit handen van de Duitse ambassadeur het Bundesverdienstkreuz Erster Klasse.

Minco bleef tot op hoge leeftijd getuigen van zijn ervaringen. In 2002 maakte hij samen met rapper Def P van de Osdorp Posse een radioprogramma over het verzet.

Over de naoorlogse omgang met verzetsstrijders zei hij in 1995: „We laten ons niet wegdrukken, wegpraten of wegcijferen, ook al denk je soms dat de politiek nauwelijks de tijd kan afwachten dat onze generatie die gevochten heeft voor de vrijheid er echt niet meer zal zijn”.

Met de dood van Minco is dat moment weer een beetje dichterbij gekomen.