Een bloedrood welkom in Amerika

Carolijn Visser, schrijfster van reisverhalen, zal op deze plaats tweewekelijks verslag doen van haar omzwervingen. In de eerste aflevering, een bewerkt fragment uit haar deze week verschenen boek ‘Miss Concordia’, gaat ze op bezoek bij een Russische vriendin.

Gallup Foto Teresco.org Teresco.org

De drie andere passagiers die met mij in Gallup uitstapten, waren indianen met onwaarschijnlijk grote cowboyhoeden op. We werden begroet door een hete, droge wind. Een perron was er niet. Alles leek ingesteld op het vervoer van containers, niet van mensen. Even verderop zag ik het gezicht dat ik zocht. Larissa zwaaide vanaf een parkeerplaats. Van ver herkende ik haar vrolijke lach en haar diepe stem die haar muzikale talent verried. Ze drukte me aan haar omvangrijke boezem. ‘Stap in’, zei ze, gebarend naar een prachtige bloedrode auto.

Eerst wilde ze me iets van haar nieuwe woonplaats laten zien, we draaiden een snelweg op. ‘Route 66’, zei Larissa. We waren on the road.

Benzinestations werden afgewisseld door motels die slordig langs de kant leken te zijn neergesmeten. Over de zilveren spoorlijn naast ons schokte een trein die een droefgeestig geloei liet horen. ‘Je moet het hier ’s avonds zien’, zei Larissa. ‘Als het donker is en de neonreclames branden, is Gallup op zijn mooist.’

Nadat ze geparkeerd had in een stille straat, opende Larissa de deur van een gebouwtje dat deed denken aan een stacaravan. Zij zette een ketel water op het fornuis, ik nam plaats aan een ronde tafel. Het was net zoals toen we allebei nog in de Heilige Geest-straat van Tallinn woonden. Een jaar lang waren we daar buren van elkaar geweest

‘Hou je van kip’, vroeg ze terwijl ze haar reuzenijskast opende. Zo was het in Tallinn ook altijd gegaan. Larissa bakte en braadde, terwijl ik theedronk aan haar ronde tafel en toekeek. Onze rollen waren nooit eerlijk verdeeld geweest.

‘Het gekke was dat ik eigenlijk binnen een dag moest besluiten of ik naar Amerika wilde verhuizen’, begon ze. Larissa was muzieklerares geweest op een Russisch lyceum in Tallinn. In de toekomst zou ze les in het Ests moeten gaan geven, dat zinde Larissa niet. De hele sfeer in Estland ervoer ze na de onafhankelijkheid als anti-Russisch. Daarom had ze de kans aangegrepen toen ze een bemiddelaar ontmoette die een baan voor haar wist in het afgelegen Gallup. ‘Geen enkele Amerikaan met een conservatoriumopleiding is bereid om in deze eenzaamheid les te geven aan Indiaanse kinderen’, vatte ze de situatie samen. Larissa kon een greencard krijgen en vier keer zoveel salaris als ze in Estland ontving. Haar jongste dochter mocht ook overkomen. Die was nu aan het trainen met haar basketbalteam. ‘Ze speelt erg goed’, zei Larissa. ‘En ze heeft ik weet niet hoeveel aanbiedingen gekregen van universiteiten. Volgend jaar kan ze gratis gaan studeren. Ze willen haar allemaal in hun college-team.’

Natuurlijk was het niet meteen allemaal voor de wind gegaan in Gallup. In het begin had Larissa last gehad van de hoogte en van akelige allergieën. Ze had moeten wennen aan de ondragelijke zomerse hitte in haar klaslokaal. Aan de stofstormen die haar de adem konden benemen. Aan de plotselinge sneeuwval in de winter die de wegen blokkeerde. ‘Er is veel waarover ik zou kunnen klagen, maar daar begin ik niet aan’, zei Larissa praktisch.

Al in de eerste week had ze zich aangemeld bij een protestante kerk. ‘Omdat er hier geen Russisch-orthodoxen zijn’, verontschuldigde ze zich. De andere leden waren goede vrienden geworden. ‘Zij hebben me die rode auto gegeven, ik had geen vervoer. Ik moest mijn vliegreis nog terugbetalen en die bemiddelaar die de baan voor me had gevonden kreeg geld van me. ‘Je moet zelf naar school kunnen rijden’, zeiden ze. Je kunt je niet voorstellen hoe ik me verwelkomd voelde door dat gebaar.’

Larissa voelde zich thuis in de Verenigde Staten. ‘Ik ben eraan gewend om in een groot land te wonen’, zei ze, doelend op de voormalige Sovjet-Unie. Larissa had zich er nooit bij kunnen neerleggen dat Estland, waar ze geboren was, zich onafhankelijk verklaard had. ‘Wist je dat het Amerikaanse volkslied heel erg lijkt op dat van Rusland? Ik heb de Navajo-kinderen Russische kerstliedjes geleerd’, vervolgde ze. ‘Vinden ze dat leuk?’, vroeg ik verwonderd. ‘O ja’, reageerde Larissa, enthousiast zwaaiend met een pollepel. ‘Ze zijn er gek op. Can you please play another sad Russian song for us, Miss Larissa?, vroeg een Navajo-meisje me laatst.’

Toen het donker was geworden, gingen we dochter Valerie ophalen. Het lange meisje installeerde zich op de achterbank. ‘Hebben jullie gezien hoe mooi de maan vanavond is?’, vroeg ze. Ze had gelijk. De maan hing als een stralende bol boven de stad. ‘En de sterren!’, riep ze. Larissa glimlachte en zei tegen mij: ‘Ik zal je onze favoriete plek van Gallup laten zien.’

‘Yes!’, reageerde Valerie. Haar moeder zette muziek aan. Een Russische zangeres zong een smachtend lied dat Larissa opgewekt meegalmde. Ze gaf gas. We beklommen een heuvel. ‘We zijn er bijna’, waarschuwde Valerie vanaf de achterbank. We waren op de top, even leek de auto los van de aarde te raken en de ruimte in te zweven. Beneden schitterden neonreclames in stralend rood, geel en groen, alsof de stad bestond uit gekleurd kristal. ‘We love Gallup’, jubelden Valerie en Larissa in koor.