De renaissance nabij

Al jarenlang staat Heerlen onderaan de lijst van aantrekkelijke woonsteden. Kaalslag door projectontwikkelaars en scharrelende junkies hebben de stad geteisterd. Maar sinds kort is dit anders. „We gaan de gaten vullen”, zegt de nieuwe wethouder De Wit.

Zicht op Heerlen, de groenste stad van Nederland Foto Chris Keulen Nederland, Heerlen, 10/05/2006 Zicht op Limburgse stad Heerlen vanaf de Kunderberg( bij Ubachsberg). De stedelijke bebouwing van Heerlen contrasteert met het groen lanfschap er omheen. foto: Chris Keulen Keulen, Chris

‘Necropolis!’, roept Manuel Kneepkens (64) – dichter, jurist en ex-fractievoorzitter van de Stadspartij Rotterdam. De vraag betrof Heerlen, de Zuid-Limburgse stad waar zijn opa een modehuis had. „De ondergang van de steenkoolmijnen was de ondergang van Heerlen. Dichter en hoogleraar algemene letterkunde aan de Universiteit Maastricht Wiel Kusters (59) zag het als mijnwerkerszoon allemaal gebeuren. „Ik zou ook liever zeggen: daar is geen treurigheid; ik vertel u een opgewekt verhaal. Maar zo is het natuurlijk niet.”

In de keuken van zijn huis in Heerlen spreekt beeldend kunstenaar en architectuurpublicist Nic. Tummers (78) over het ‘ingeboren lot’ van een mijnstad. „Kolenwinning is geen scheppende industrie. Als de kolen weg zijn, houdt het op. Uiteindelijk hield het nóg eerder op.”

Grafisch vormgever Piet Gerards (55) staat tussen de verhuisdozen in zijn kantoor in Heerlen. Deze week vertrekt hij voorgoed naar Amsterdam. Hij is klaar met Heerlen. „De mijnsluiting kon deze stad niet tegenhouden, maar een deel van de ellende heeft het stadsbestuur aan zichzelf te wijten.”

Kneepkens, Kusters, Tummers en Gerards hadden het allemaal gelezen: de Atlas voor gemeenten 2006 was uit. Elk jaar vergelijkt de atlas de vijftig grootste gemeenten op veertig punten. Heerlen (95.000 inwoners) staat op plaats vijftig, als minst aantrekkelijke stad om in te wonen. Heerlen staat altijd onderaan. Dit jaar dacht de gemeente Heerlen slim te zijn. De presentatie van de atlas werd naar Heerlen gehaald. Voor journalisten lag een stapel persberichten klaar over deze ‘jonge stad met een eigen stijl die nu op eigenzinnige, succesvolle wijze nieuwe kansen’ creëert.

Maar persberichten nemen het verdriet, over wat de stad is overkomen, niet weg. Om dat te begrijpen is Frans Erens, de schrijver, onmisbaar. Hij zag in de zomer van 1893 het dorp Heerlen, dat toen vijfduizend zielen telde, in de kom van een van de breedste dalen van Zuid-Limburg liggen. Heerlen rust in ’t avondlicht, schreef Erens. Hij zag dames in katoenen zomerkleden, de witte strooien hoeden van de heren en de petten van de boeren. Zijn stuk in de Nieuwe Gids gaat over groentekarren die leeggekocht het dorp verlaten, over koeien die log voorbijtrekken en de dorpsdokter die in zijn rijtuig van verre patiënten terugkeert. Het gemeentehuisje deed ook dienst als kantongerecht, postkantoor en marechausseekazerne.

„Arcadisch, bijna ontroerend karaktervol”, verzucht dichter-hoogleraar Kusters in zijn werkkamer als hij Erens leest. „Natuurlijk waren er in het hele land dergelijke plaatsen. Maar wat er daarna gebeurd is, is uniek.” Tienduizenden kwamen af op het zwarte goud. Het dorp in het dal werd vanaf 1900 overspoeld door industriëlen, mijnwerkers uit Friesland, Drenthe en Groningen, en gelukszoekers uit alle windstreken van Europa. De invasie duurde jaren. Hollandse ambtenaren gaven leiding aan de ‘carboonkolonisatie’.

Twintig jaar later was het brede dal al aardig volgebouwd. Rondom de Romaanse Pancratiuskerk stond het inderhaast tot stad verbouwde dorp in de steigers. Ten noorden van de spoorlijn lagen de nieuwe mijnwerkerswijken. Daartussen, allesoverheersend, de ratelende schachten en de rokende schoorstenen van de steenkoolmijnen. Het nieuwe Heerlen was een kunstmatige stad van inwoners zonder gemeenschappelijke identiteit. Hun enige band was de mijn. En het zangerige taaltje, dat zou groeien uit een mengeling van Nederlands en Heerlens dialect. Het wordt nog steeds gesproken en levert zinnen op als: „Die man die wat me dat toen zei, is in elkaar gesjlagen geworden.”

Zwarte jeugd

Manuel Kneepkens heeft als zoon van een ingenieur van de staatsmijn Wilhelmina in Terwinselen, een dorp tussen Kerkrade en Heerlen, jeugdherinneringen aan de mijnperiode. „Een duistere tijd. Mijn jeugd was zwart. Ik schaamde mij op school voor mijn vader. Hij was de enige vader die niet onder het mijnstof zat. De vaders van al die andere jongens kropen elke dag zwart de mijn uit. Ze wasten zich wel, maar het mijnstof bleef rondom hun ogen zitten. Allemaal Charlie Chaplins.”

In de tijd van de mijnen was Heerlen een voorloper in Nederland. De stad had het eerste streekplan, omdat voor de mijnindustrie in vijf gemeenten tegelijk planologie bedreven moest worden. In de jaren dertig omarmde Heerlen het Nieuwe Bouwen, kreeg allure als moderne stad. Hoogtepunt is het 1935 geopende Glaspaleis, een hypermodern warenhuis van glas en beton, ontworpen door de architect Peutz die veel bouwde in Heerlen. Heerlen was ook de eerste gemeente die inzag dat groen in een stad van waarde was.

Het bestuur stond veertig jaar (1926-1962) onder leiding van burgemeester Marcel van Grunsven. Hij drukte zijn stempel op de ontwikkeling. „Heerlen was brutaal”, zegt grafisch vormgever Piet Gerards. Er was geld en ambitie. De stad had veel boekhandels, uitgedoste winkels en warenhuizen, de grootste bioscoop van het land en de Stadsschouwburg zat altijd vol.

Zo ook aan het einde van 1965, op een verregende vrijdagmiddag. Een afgeladen Stadsschouwburg hoorde hoe Joop den Uyl, minister van Economische Zaken in het kabinet Cals, de sluiting van de mijnen aankondigde. De mijnen hadden geen toekomst meer door de concurrentie van goedkope buitenlandse kolen en moderne brandstoffen als olie en gas. Daar veranderden zelfs slogans als ‘Gezellige mensen stoken kolen’ niets aan.

In de schouwburg zei de minister: „Geen mijnsluiting zonder redelijk perspectief op vervangende werkgelegenheid.” Van de 385.000 inwoners van de mijnstreek was zeventig procent direct of indirect afhankelijk van de steenkoolwinning. Hier ligt een van de oorzaken voor het begin van de Heerlense malaise. De confessioneel-liberale kabinetten na Cals sloten de mijnen sneller dan gepland. Den Uyl zei later dat zijn opvolgers het ‘verprutst’ hadden.

Den Uyl had een subsidiestroom van vijf miljard euro in de periode 1965-1990 voor de mijnstreek op gang gebracht, voor bedrijfsinvesteringen, nieuwe wegen, rijksdiensten en een autofabriek in Born. Maar bij deze ‘herstructurering’ liep de streek, Heerlen voorop, veel steungeld mis. Miljoenen die de particuliere mijnen kregen voor nieuwe investeringen, gingen naar elders. Nic. Tummers: „Ook Maastricht kreeg ten onrechte veel geld, voor een medische faculteit en een rijksuniversiteit. Ik zie het zo: de mijnstreek was gebombardeerd, maar de wederopbouw vond plaats in Maastricht.”

Ondertussen wisten de lokale bestuurders het mijnverleden uit. Gebouwen en steenbergen verdwenen. Als een van de laatste mijnmonumenten zou het hoofdkantoor van de Staatsmijnen uit 1906 in Heerlen wijken voor een koopcentrum. De naam Oostelijke Mijnstreek werd vervangen door Parkstad. Dit deed deed mijnwerkers pijn. „Alsof hun werk iets gênants was geweest”, zegt Kusters. „Het effect van die sanering op de psyche is onderschat.”

De mijnstreek zakte weg, niet alleen economisch maar ook sociaal, cultureel en maatschappelijk. De subsidies leverden weinig arbeidsplaatsen op. Tienduizenden ex-kompels belandden in regelingen. Ze koesterden hun herinneringen aan de kameraadschap onderin ‘de koel’. De vuiligheid en het gevaar leken vergeten.

De malaise trof de bevolking ook op een andere wijze. Tot 1965 was het leven geordend en verzorgd door de mijnen. Toen die weg waren, bleek hoe weinig daadkracht er in de streek was. Creativiteit en eigenzinnigheid waren nooit nodig geweest. Daar komt bij dat in de jaren zestig de hegemonie van de alles controlerende katholieke kerk wegviel. Tummers: „De monocultuur van kerk en mijn had de jonge stad Heerlen nooit volwassen gemaakt. Het was een verwend kind dat plots zijn ouders – kerk en mijn – verloor en alleen verder gaan niet aankon.”

Het verhaal van Heerlen is ook het verhaal van de gemiste kansen. Verwijtbaar is volgens Tummers dat de gemeente niet beter heeft gelobbyd in Den Haag om de kantoren van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de voorloper van de Europese Unie, in Heerlen te krijgen. Die gingen naar Luxemburg. Daarom verkochten veel hoogopgeleiden, veelal ambtenaren en ingenieurs, hun villa’s aan de Molenberglaan. Ze gingen terug naar Wassenaar en Zeist. Zo ook de creatieve elite, de kunstenaars en architecten. Die vertrok naar Maastricht of Amsterdam. Piet Gerards: „Dan begrijp je dat je hier nog maar weinig boekhandels nodig hebt.” De kanslozen bleven achter.

Dat vervolgens de criminaliteit steeg, was niet meer dan logisch. Het hing samen met de werkloosheid en met de drugsscene. Die was in de jaren zestig geïntroduceerd door Amerikaanse soldaten die waren gestationeerd op een NAVO-basis in buurgemeente Brunssum. Dealers en junks namen in de jaren tachtig en negentig de stad over. Het begon in en rond het NS-station. Verslaafden kochten hun drugs openlijk in de winkelstraten. De bevolking had niets meer in te brengen.

Terwijl het drugsprobleem groeide, verloederde ook het centrum. Na Van Grunsven kwamen burgemeesters die meer aandacht hadden voor hun eigen carrière of weinig daadkracht hadden. Projectontwikkelaars met goede bestuurlijke en ambtelijke contacten mochten decennialang hun gang gaan. Ze sloopten markante gebouwen en vulden de gaten met parkeergarages en koophallen. Als ze de gaten al vulden.

„Politici zijn met klungelwerk bezig geweest”, zegt Tummers. „De mentaliteit was: laat ze maar komen en leg ze niks in de weg. Dat gold ook voor het Duitse kooppubliek. Dat kon verkeerd parkeren zonder een bon te krijgen. Anders zouden ze de volgende keer niet meer komen.”

In Heerlen was iedereen met geld welkom. Dat is een verschil met het naburige Maastricht. Die stad heeft een architectuurnota en een planologische visie. Het ambitieniveau was in Heerlen de laatste dertig jaar onwaarschijnlijk laag. Terwijl het uiterlijk van de stad toch van invloed is op de gemoedstoestand van de bevolking. Op een mooie stad kun je trots zijn. En trots biedt identiteit.

Naveltruitjes

In de winkelstraten, die de namen dragen van burgemeesters en pioniers uit de mijnperiode, lopen vandaag de nazaten van de mijnwerkers in naveltruitjes en haltershirts. Veel is hun niet bekend van de geschiedenis van hun stad. Het winkelaanbod in het centrum steekt schril af tegen de chic uit de hoogtijdagen. Modehuis Kneepkens is opgeheven, warenhuis Schunck is niet meer wat het was en speciaalzaken houden het doorgaans niet lang uit. Ook het cultuur- en kunstaanbod is beperkt, evenals het publiek ervoor. Grafisch vormgever Piet Gerards zat laatst helemaal alleen in bioscoop Maxime naar Matchpoint van Woody Allen te kijken. De operator kwam vragen of Gerards de pauze wilde overslaan.

Dit past in het beeld van Heerlen als drugsstad met een inactieve, laaggeschoolde bevolking. Maar wie verder kijkt, merkt dat het beeld scheuren vertoont. In de Akerstraat floreert de speciaalzaak in klassieke cd’s van Paul Smeets. Hij heeft klanten uit heel Limburg. Op het dak van het Glaspaleis is maandelijks Jazz on the Roof en elke dinsdagmiddag zit bioscoop Royal vol met senioren die vergeten films bekijken.

„Ik denk niet dat het hopeloos is”, zegt Manuel Kneepkens optimistisch. „Maar het is lastig om van een imago af te komen. Mijn oude schoolvriend Thijs Wöltgens, de vroegere voorzitter van de Kamerfractie van de PvdA, is daar een voorbeeld van. Van hem weet men dat hij lui is en dat hij een glas lust. Daar komt hij nooit meer vanaf, ook al is het beeld niet helemaal waar. Misschien is Heerlen toe aan een mythologische figuur, een fatsoenlijke Fortuyn. Heerlen zit zó diep in de ellende, dat biedt ook kansen. Zorg dat er weer intelligentsia komt, desnoods met gastdocentschappen. En doe iets waar de rest van het land met bewondering naar kijkt. Het moet knotsgek zijn. Ik zeg maar wat: flikker die mijnen open. Niet om in te werken, maar maak er wat toeristisch van. Die namaakmijn in Valkenburg loopt toch ook als een tiet?”

Kneepkens hoopt op eigenzinnigheid en op een opgepoetst verleden. „Zet je bijzondere inwoners eens in het zonnetje. Maak die Nic. Tummers ereburger. Organiseer een conferentie van Heerlenaren met capaciteiten, die de stad verlaten hebben. Roep ze terug, die Coenen, Henket, Ritzen en al die anderen. Laat ze brainstormen. Het zou nieuws zijn als een stad zoiets doet. Maar, let wel, Heerlen moet het zélf doen. Want ik ken die Limburgers: als iemand anders het initiatief neemt, dan zijn ze er al heel blij mee.”

De opbeurende ideeën van Kneepkens vinden gehoor bij Riet de Wit, wethouder van economie en werkgelegenheid, onderwijs en buurtgericht werken. „Die conferentie – die komt er. Daar gaan we wat mee doen”, zegt ze in haar werkkamer. De Wit (58) is de personificatie van de hoop van Heerlenaren op verandering. Ze was tijdens de laatste raadsverkiezingen in haar eentje goed voor bijna een kwart van alle uitgebrachte stemmen. Haar SP sloot een coalitieakkoord met PvdA, VVD en Ouderenpartij. Het CDA, dat de stad de afgelopen honderd jaar bestuurde, is door de kiezers weggestemd.

De Wit heeft goed nieuws: de persberichten, die de gemeente verspreidde bij de presentatie van de Atlas, zijn waar. De daadkracht is herwonnen, de renaissance nabij, zegt de wethouder. Sinds twee jaar dalen de criminaliteitscijfers. De drugsoverlast in het centrum is vrijwel verdwenen sinds de Operatie Hartslag. Dat initiatief van toenmalig burgemeester Alexander Sakkers is een succes, dankzij 130 camera’s in het centrum, een intensieve aanpak van dealers en opvang en werk voor verslaafden. De binnenstad is weer van de Heerlenaren. Hiervoor kreeg de gemeente in 2003 een eervolle vermelding van de jury van de Hein Roethofprijs, een landelijke prijs voor projecten op het gebied van de preventie van criminaliteit. In 2004 ontving Operatie Hartslag de prijs van het Kenniscentrum Grote Steden.

Het nieuwe college gaat verder: bezuinigingen op armoedebeleid worden teruggedraaid en ook het welzijnswerk wordt ontzien. Wat Riet de Wit hoop geeft, is de kracht in de buurten: „Ik kom daar veel. Ik vertel dan altijd dat de mensen zelf moeten aanpakken.”

De gaten in de stad zijn nog niet allemaal gedicht, de lelijkheid is nog niet verdwenen. Op honderd meter van het stadhuis ligt al twintig jaar de ruïne van het modehuis van de opa van Manuel Kneepkens. Juist deze week is het herstel begonnen. Het Glaspaleis is inmiddels voor 22 miljoen euro opgeknapt en prijkt als toonbeeld van het Nieuwe Bouwen op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. En een van de eerste daden van wethouder De Wit was het schrappen van alweer een centrumplan van een projectontwikkelaar. „We gaan eerst de gaten vullen”, zegt De Wit.

Stroomstoot

De wethouder krijgt hulp van een kunstenaar die de stad niet verlaten heeft. Michel Huisman lanceerde gisteren ‘Dynamo Heerlen’. Met kleine ingrepen wil hij winkelgevels opknappen en leegstaande panden omtoveren in tijdelijke galeries. Volgens Huisman staat Heerlen, na uitvoering van zijn ideeën, volgend jaar niet meer onderaan de Atlas voor Gemeenten en krijgt het zelfbeeld en imago van Heerlen een „flinke stroomstoot”.

Heerlen heeft ook het mijnverleden herontdekt. In Heerlerheide wordt binnenkort van zevenhonderd meter diepte mijnwater opgepompt, een energiebron waarmee de stad verwarmd zou kunnen worden.

De jeugd moet de stad een impuls geven. Dus bouwt de gemeente een poppodium dat jongeren moet trekken. Want de stad vergrijst. Het kerkplein en omgeving hebben de hoogste rollatordichtheid van het land. Maar dat ziet de Wit als een uitdaging: „De senioren stimuleren onze snel groeiende zorgindustrie.” Dat het inwonertal krimpt, is ook al geen probleem volgens De Wit. Het biedt de ruimte om kwalitatief slechte woningen af te breken en te vervangen. Zo blijft groen gespaard. En groen is een van de sterke punten van Heerlen. Want al staat Heerlen op veel lijstjes onderaan, op één lijst staat de stad bovenaan: die van groenste gemeenten van Nederland. Welke andere stad heeft een bos naast het centrum en in welke stad graast een kudde schapen op vijfhonderd meter van het stadhuis?

Joep Dohmen woont in Heerlen