De onvrijheid in de wereld neemt toe naarmate de olie duurder wordt

Er is een direct en negatief verband tussen de stijging van de olieprijs en de mate van democratie. Hoe rijker autoritair bestuurde oliestaten zijn, hoe minder geneigd ze zullen zijn stappen te zetten of toe te staan in de richting van een opener, vrijer en democratischer samenleving.

Auteur van ‘The World is Flat’. Columnist van The New York Times.

Toen ik Mahmoud Ahmadinejad, de president van Iran, hoorde verklaren dat de holocaust een fabeltje was, dacht ik onwillekeurig: „Zou de president van Iran zoiets ook zeggen als de olieprijs op dit moment 20 dollar per vat was in plaats van 60 dollar?’’ Toen ik president Hugo Chávez van Venezuela tegen de Britse premier Tony Blair hoorde zeggen „dat hij kon barsten’’, en tegen zijn aanhangers dat de door de Verenigde Staten gesteunde Amerikaanse vrijhandelszone ook „kon barsten’’, dacht ik onwillekeurig: „Zou de president van Venezuela dat allemaal ook zeggen als de olieprijs op dit moment 20 dollar per vat was in plaats van 60 dollar, en als zijn land moest rondkomen door zijn eigen ondernemers te stimuleren, in plaats van alleen maar olieputten te slaan?’’

Als waarnemer van de gebeurtenissen rond de Golf de afgelopen jaren is het mij opgevallen wat de eerste Arabische Golfstaat was waar vrije, eerlijke verkiezingen zijn gehouden, waarbij vrouwen konden kiezen en gekozen worden, en de eerste Arabische Golfstaat die zijn arbeidswetten ingrijpend heeft herzien om zijn eigen onderdanen betere kansen op de arbeidsmarkt te bieden, en minder afhankelijk te zijn van ingevoerde arbeidskrachten: dat was Bahrein. Toevallig is Bahrein de Arabische Golfstaat die naar verwachting als eerste door zijn olie heen zal raken. Het was ook het eerste land in de regio dat een vrijhandelsovereenkomst sloot met de Verenigde Staten. Onwillekeurig vroeg ik me af: „Zou dat allemaal toeval zijn?’’ Ten slotte, toen ik heel de Arabische wereld in ogenschouw nam, en zag hoe de democratisch gezinde actievoerders in Libanon de Syrische troepen uit hun land verdreven, vroeg ik me af: „Is het toeval dat de eerste en enige democratie van de Arabische wereld nou net geen druppel olie bezit?’’

Het leek mij evident dat er een correlatie moet zijn tussen enerzijds de prijs van olie en anderzijds het ontwikkelingstempo, de schaal en de duurzaamheid van politieke vrijheden en economische hervormingen in bepaalde landen. Daarbij bedoel ik een echte correlatie, die je in een grafiek kunt uitzetten. Op de ene as de gemiddelde wereldprijs van ruwe aardolie, en op de andere de mate van economische en politieke vrijheden – zo goed als een onderzoeksinstelling als Freedom House ze kan meten. Je zou daarbij rekening moeten houden met vrije, eerlijke verkiezingen, het oprichten en opheffen van kranten, willekeurige arrestaties, hervormers die in parlementen gekozen worden, economische hervormingsprojecten die worden opgezet of afgebroken, het privatiseren en het nationaliseren van ondernemingen, enzovoort.

Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat dit geen wetenschappelijk laboratoriumexperiment is, want de toe- en afname van economische en politieke vrijheden in een samenleving kunnen nooit volkomen worden gekwantificeerd of tegen elkaar afgewogen.

Maar omdat ik niet op een academische aanstelling uit ben, maar alleen probeer een ingeving te onderbouwen en een debat op gang te brengen, denk ik dat het zinnig is om te proberen aan te tonen dat er heus, bij alle onvolkomenheden, een echte correlatie bestaat tussen de olieprijs en de ontwikkeling van de vrijheid. Omdat de stijgende prijs van ruwe olie een belangrijk stempel zal drukken op de ontwikkeling van de internationale betrekkingen in de nabije toekomst, moeten wij trachten alle verbanden tussen die prijs en de aard en de richting van de wereldpolitiek te doorgronden. De grafieken laten een sterke correlatie zien tussen de prijs van olie en de ontwikkeling van vrijheid.

Dat brengt mij op de Eerste Wet van de Petropolitiek: de prijs van olie en het ontwikkelingstempo van vrijheid bewegen zich in olierijke landen in tegengestelde richtingen.

De Eerste Wet van de Petropolitiek betekent dat als de gemiddelde wereldprijs voor ruwe olie stijgt, de vrije meningsuiting, persvrijheid, vrije en eerlijke verkiezingen, onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, rechtszekerheid en onafhankelijkheid van politieke partijen worden aangetast. Deze negatieve tendensen worden versterkt doordat naarmate de olieprijs stijgt, de leiders van olieproducerende landen zich steeds minder aantrekken van wat de wereld over hen denkt of zegt.

Omgekeerd houdt de Eerste Wet van de Petropolitiek ook in dat hoe meer de olieprijs daalt, des te meer petrolistische landen gedwongen worden zich te ontwikkelen in de richting van een politiek en maatschappelijk bestel dat transparanter is, gevoeliger voor oppositionele stemmen, en meer gericht op de opbouw van wettelijke en educatieve structuren die de bevolking – mannen zowel als vrouwen – maximaal in staat stellen te concurreren, nieuwe bedrijven op te zetten en investeringen uit het buitenland aan te trekken. Hoe lager de prijs van ruwe olie zakt, des te meer zullen petrolistische leiders zich aantrekken van wat men elders van hen denkt.

‘Petrolistische landen’ zou ik definiëren als landen die zowel voor hun export als voor hun bruto binnenlands product afhankelijk zijn van de olieproductie, en die zwakke staatsinstellingen of een ronduit autoritair bewind hebben.

Hoog op mijn lijst van petrolistische landen zouden komen Angola, Azerbeidzjan, Egypte, Equatoriaal Guinee, Iran, Kazachstan, Nigeria, Oezbekistan, Rusland, Saoedi-Arabië, Soedan, Tsjaad en Venezuela. Landen met veel ruwe olie als Groot-Brittannië, Noorwegen en de Verenigde Staten, die al voordat er olie gevonden werd deugdelijke democratische instellingen hadden en een gevarieerde economie, zouden niet onder de Eerste Wet van de Petropolitiek vallen.

Economen hebben al eerder gewezen op de negatieve economische en politieke gevolgen die een overdaad aan grondstoffen voor een land kan hebben. Dit is op verschillende wijzen gediagnosticeerd, bijvoorbeeld als de Dutch disease (Hollandse ziekte) of als de resource curse (vloek van de natuurlijke rijkdommen).

Met Dutch disease wordt gedoeld op het proces van deïndustrialisatie dat kan voortvloeien uit een plotselinge meevaller op grondstoffengebied. De term is in de jaren 1960 in Nederland gemunt nadat daar reusachtige hoeveelheden aardgas waren ontdekt. Wat landen met de Dutch disease overkomt is dat dankzij de plotselinge toevloed van geld uit de verkoop van aardolie, goud, aardgas, diamanten of een andere natuurlijke grondstof, de waarde van hun munteenheid stijgt.

Het gevolg daarvan is dat de exportproducten van zo’n land hun concurrentiepositie verliezen, terwijl de import erg voordelig wordt.

De inwoners, die zwemmen in het geld, beginnen als gekken te importeren, de binnenlandse industriële sector wordt weggevaagd en voilà, daar heb je de deïndustrialisatie.

De resource curse kan op hetzelfde economische verschijnsel duiden, maar ook, meer algemeen, op het feit dat afhankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen altijd een averechts effect heeft op de politiek, de investeringen en de educatieve prioriteiten van een land, waarbij alles draait om de zeggenschap over de oliekraan en wie daar hoeveel van opstrijkt – in plaats van te concurreren, te innoveren en echte producten te maken voor echte markten.

Buiten deze algemene theorieën hebben enkele politicologen onderzocht hoe een overvloed van met name olierijkdom het proces van democratisering kan terugdraaien of aantasten.

Op basis van een statistische analyse van 113 landen tussen 1971 en 1997 heeft politicoloog Michael L. Ross geconcludeerd dat ,,de afhankelijkheid [van een land] van de uitvoer van olie of andere delfstoffen dat land doorgaans minder democratisch maakt; dat de export van andere soorten basisproducten dit effect niet heeft; dat het niet beperkt blijft tot het Arabisch Schiereiland, het Midden-Oosten of Afrika ten zuiden van de Sahara; en dat het niet beperkt blijft tot kleine landen’’.

Wat de analyse van Ross zo nuttig maakt, is zijn lijst van mechanismen waardoor overmatige olierijkdom de democratie belemmert.

In de eerste plaats, zo betoogt hij, heb je het ‘belastingeffect’. Regeringen die over veel olie beschikken gebruiken hun inkomsten doorgaans om „sociale druk weg te nemen die anders zou kunnen uitlopen op een roep om meer verantwoording’’ door, of vertegenwoordiging in, het gezag. Ik stel het graag zo: het motto van de Amerikaanse revolutie was ‘geen belasting zonder vertegenwoordiging’. Het motto van de autoritaire petrolist is: ‘geen vertegenwoordiging zonder belasting’. Door olie gesteunde regimes die om te overleven geen belasting hoeven te heffen van hun onderdanen, omdat ze gewoon olieputten kunnen slaan, hoeven ook niet naar hun onderdanen te luisteren of rekening te houden met hun wensen.

Het tweede mechanisme waardoor olie de democratisering remt, zo betoogt Ross, is het ‘uitgeefeffect’. Olierijkdom leidt tot meer betalingen aan gunstelingen, wat vervolgens de roep om democratisering tempert.

Het derde mechanisme is het ‘groepsvormingseffect’. Wanneer olie-inkomsten een autoritaire staat een financiële meevaller bezorgen, kan de overheid de nieuwe rijkdom gebruiken om te verhinderen dat er zich onafhankelijke maatschappelijke groeperingen vormen – juist de groepen die het eerst politieke rechten zullen eisen. Daar komt bij, aldus Ross, dat een overmaat aan olie-inkomsten tot een ‘repressie-effect’ kan leiden, omdat overheden in staat worden gesteld extra veel geld te steken in politie, binnenlandse veiligheid en inlichtingendiensten, die kunnen worden gebruikt om democratische bewegingen te smoren.

Ten slotte constateert Ross een ‘moderniseringseffect’. Een ruime instroom van olierijkdom kan de maatschappelijke behoefte aan beroepsspecialisatie, urbanisatie en garanties voor hoger onderwijs doen slinken – en dat zijn ontwikkelingen waarmee een brede economische ontwikkeling doorgaans gepaard gaat, en die bovendien leiden tot een publiek dat beter z’n woordje weet te doen, beter kan organiseren, onderhandelen en communiceren, en dat over zijn eigen economische energiecentra beschikt.

De Eerste Wet van de Petropolitiek wil de correlatie tussen olie en politiek nog een stap verder voeren: niet alleen kan een al te grote afhankelijkheid van ruwe olie in het algemeen een vloek zijn, het is zelfs mogelijk om stijgingen en dalingen in de olieprijs te correleren aan dalingen en stijgingen in het ontwikkelingstempo van de vrijheid in petrolistische landen. Dit verband is heel reëel. Zoals de grafiek laat zien, verliest de vrijheid werkelijk vaart wanneer de olieprijs omhoogschiet.

De reden dat het thans de moeite waard is om de aandacht te vestigen op dit verband tussen de olieprijs en het ontwikkelingstempo van de vrijheid, is dat wij aan de vooravond lijken te staan van een structurele, wereldwijde stijging van de prijs van ruwe olie. Als dat inderdaad zo is, zal dat hogere prijsniveau vrijwel zeker een langetermijneffect hebben op het karakter van de politiek in vele zwakke en autoritaire landen. Dat zou vervolgens weer een wereldwijd negatief effect kunnen hebben op de inmiddels vertrouwde wereld van na de Koude Oorlog. Anders gezegd: de prijs van ruwe aardolie zou een dagelijkse bron van zorg moeten zijn, niet alleen voor de Amerikaanse minister van Financiën, maar ook voor zijn collega van Buitenlandse Zaken.

Sinds 9/11 zijn de olieprijzen structureel opgeschoven van de 20/40-dollarzone naar de 40/60-dollarzone. Deze verschuiving hing deels samen met een algeheel gevoel van onveiligheid op de oliemarkten van de wereld als gevolg van het geweld in Irak, Nigeria, Indonesië en Soedan, maar lijkt nog meer het gevolg van wat ik het ‘afvlakken’ van de wereld noem, en van de snelle instroom op de wereldmarkt van drie miljard nieuwe consumenten, uit China, Brazilië, India en het voormalige sovjetrijk, die allemaal dromen van een huis, een auto, een magnetron en een koelkast.

Hun groeiende honger naar energie is gigantisch. Dat voert nu en in de toekomst gestaag de druk op de olieprijzen op. Als er zich in het Westen geen drastische verschuiving in de richting van energiebesparing voordoet, en als er geen alternatief voor fossiele brandstoffen gevonden wordt, zitten wij voorlopig vast aan die 40/60-dollarzone, of hoger.

Politiek gezien houdt dat in dat een hele groep petrolistische landen met zwakke instellingen of met ronduit autoritaire regimes waarschijnlijk een afkalving van vrijheden en een toename van corruptie en autocratisch, antidemocratisch optreden gaat beleven. De leiders van die landen kunnen een aanzienlijke inkomstenstijging verwachten, waarmee zij veiligheidsdiensten kunnen versterken, tegenstanders omkopen, stemmen of publieke steun kopen en zich tegen internationale normen en conventies kunnen verzetten.

Denk bijvoorbeeld aan Iran. De Economist schreef op 11 februari: „Nationalisme is eenvoudiger op een volle maag, en Ahmadinejad heeft het als president zeldzaam getroffen: hij kan het komende Iraanse jaar zo’n 36 miljard dollar aan inkomsten uit de olie-export verwachten, waarmee hij aanhang kan kopen. In zijn eerste begroting, die nu bij het parlement ligt, heeft de regering beloofd 300.000 wooneenheden te bouwen, waarvan tweederde buiten de grote steden, en de energiesubsidies te handhaven op het adembenemende niveau van 10 procent van [het bruto binnenlands product].’’

Of denk aan het drama dat zich in Nigeria voltrekt. De regeringsduur van de Nigeriaanse president is beperkt tot twee ambtstermijnen van vier jaar. President Olusegun Obasanjo heeft, na een periode van militair bewind, in 1999 zijn ambt aanvaard en is in 2003 door het volk herkozen. Toen Obasanjo in 1999 de macht overnam van de generaals, haalde hij de voorpagina’s met onderzoek naar schendingen van de mensenrechten door de Nigeriaanse strijdkrachten, met de vrijlating van politieke gevangenen, en zelfs met een heuse poging om af te rekenen met de corruptie. Toen stond de olie op circa 25 dollar per vat. Nu de olie op 60 dollar per vat staat, probeert Obasanjo de Nigeriaanse wetgevende vergadering over te halen om de grondwet aan te passen, zodat hij een derde ambtstermijn kan krijgen.

Volgens Wunmi Bewaji, een van de leiders van de oppositie in het Nigeriaanse Huis van Afgevaardigden, zijn er aan wetgevers omkoopsommen van één miljoen dollar geboden om hen over te halen om Obasanjo’s ambtstermijn te verlengen. Clement Nwankwo, een van de voornaamste Nigeriaanse voorvechters van de mensenrechten, zei mij tijdens een bezoek aan Washington in maart dat sinds de olieprijzen stijgen, ,,de burgerrechten achteruit zijn gehold – er zijn mensen naar willekeur gearresteerd, er zijn politieke opponenten vermoord, en democratische instellingen zijn lamgelegd’’.

In petrolistische landen vormt het publiek zich dikwijls een scheef beeld van wat ontwikkeling eigenlijk inhoudt. Als zíj arm zijn en de leiders rijk, dan komt dat niet doordat hun land geen werk heeft gemaakt van onderwijs, innovatie, rechtszekerheid en ondernemingszin. Nee, het komt doordat iemand wél het oliegeld krijgt, en zij niet. De mensen krijgen het idee dat ze om rijk te worden alleen maar een einde hoeven te maken aan de diefstal van de olie van het land door anderen, in plaats van een maatschappij op te bouwen die onderwijs, innovatie en ondernemingszin bevordert.

„Als Nigeria geen olie had, zou de hele politieke situatie anders zijn’’, zei Nwankwo. „De inkomsten zouden niet uit de olie komen, en daardoor zou de diversificatie van de economie een thema worden; het privé-ondernemerschap zou belangrijker zijn, en de mensen zouden hun eigen creativiteit moeten ontwikkelen.’’

Met alle respect voor Ronald Reagan geloof ik niet dat hij de Sovjet-Unie ten val heeft gebracht. Uiteraard speelden vele factoren een rol, maar de ineenstorting van de mondiale olieprijzen eind jaren tachtig, begin jaren negentig, heeft ongetwijfeld een essentiële rol gespeeld.

Toen de Berlijnse Muur viel, dacht iedereen dat daarmee een onstuitbare vloedgolf van vrije markten en democratisering was ontketend. Dit leek volkomen te worden bevestigd door de verbreiding van vrije verkiezingen over de hele wereld in het volgende decennium. Maar dat tij stuit nu op een niet voorziene tegengolf van autoritair petrolisme, die mogelijk is gemaakt door de olieprijs van 60 dollar per vat.

Plotseling distantiëren regimes als die in Iran, Nigeria, Rusland en Venezuela zich van wat een onstuitbaar democratiseringsproces leek – gekozen autocraten in al die landen gebruiken de plotselinge oliemeevallers om zich in hun machtsposities in te graven, opponenten en aanhangers op te kopen, en de wurggreep van de staat, waarvan velen meenden dat hij voorgoed verdwenen was, uit te strekken naar de particuliere sector. Het onstuitbare tij van democratisering na de val van de Berlijnse Muur lijkt een gelijkwaardige tegenkracht te hebben gevonden in het zwarte tij van het autoritaire petrolisme.

Hoewel het autoritaire petrolisme niet zo’n algeheel strategisch en ideologisch gevaar voor het Westen vormt als indertijd het communisme, zou het op den duur wel degelijk de mondiale stabiliteit kunnen aantasten.

Niet alleen zal een aantal van de kwalijkste regimes van de wereld langer dan ooit extra geld hebben om de kwalijkste dingen te doen, ook zullen fatsoenlijke, democratische landen, zoals India en Japan, gedwongen worden te buigen voor de wil van landen als Iran of Soedan, of het optreden van zulke landen door de vingers te zien, omdat zij voor hun olieleveranties op hen aangewezen zijn. Dat kan nooit goed zijn voor de stabiliteit in de wereld.

Ik weet dat de correlaties waarop deze grafiek duidt niet waterdicht zijn, en er zijn ongetwijfeld uitzonderingen. Maar ik ben ervan overtuigd dat ze een algemene tendens illustreren die je dagelijks aan het nieuws kunt aflezen: de stijgende olieprijs heeft onmiskenbaar in vele landen een negatief effect op het ontwikkelingstempo van de vrijheid, en als er maar genoeg landen met genoeg negatieve effecten zijn, raakt de wereldpolitiek vergiftigd.

©Foreign Policy

    • Thomas L. Friedman