De markt zorgt niet voor deugden

De voorzitter van de Edmund Burke-Stichting Andreas Kinneging was links. Toen werd de politicoloog liberaal, nu is hij conservatief. Hij schreef de ‘Geografie van goed en kwaad’, waarvoor hij kortgeleden een prijs ontving. „We hebben een elite nodig.”

De Leidse wetenschapper Andreas Kinneging: „Linkse circuits benoemen elkaar. Hier zijn eindelijk eens een paar mensen aangenomen met andere opvattingen.” Foto Leo van Velzen Den Haag, 13/04/06. dhr. Kinnegin, filosoof. Foto Leo van Velzen Nrc Hb. Velzen, Leo van

‘Het werk van een bekeerling’, noemt de Leidse hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging (44) zijn bundel essays, Geografie van goed en kwaad. Daarmee won hij drie weken geleden de Socrates-wisselbeker voor het beste Nederlandstalige boek over filosofie van 2005. Kinnegings boek beschrijft de ethiek van het individu, het gezin en de samenleving, van de zeven hoofdzonden tot de democratische rechtsstaat.

In de economisch voorspoedige jaren negentig maakte hij een omslag van voorstander tot tegenstander van de Verlichting. Van vrijzinnig liberaal en VVD-ideoloog werd hij conservatief ethicus, van verkondiger van de weldaden van de vrije markt werd hij liefhebber van de persoonlijke deugden van de antieke oudheid en van het christendom, hoewel hij zelf niet kerkelijk is. In de opstandige jaren zestig, volgens Kinneging een combinatie van Verlichting en Romantiek, zijn veel waardevolle westerse tradities overboord gegooid, vindt hij.

Een jaar geleden werd Kinneging voorzitter van de conservatieve denktank en het scholingsinstituut, de Edmund Burke Stichting. Zijn kantoor ligt op de lichte zolderverdieping van het voormalige Kamerlingh Onnes natuurkundelaboratorium, dat is omgebouwd tot rechtenfaculteit. Schuin tegenover hem werkt onder strenge bewaking een voorvechter van de door Kinneging gelaakte Verlichting, de hoogleraar Sociale Cohesie en Recht, Afshin Ellian. Aan zijn gang zitten ook twee andere hooggeleerden met een uitgesproken liberaal profiel: het VVD-lid Paul Cliteur, hoogleraar van de Encyclopedie van de Rechtswetenschap, en de gewezen VVD-leider en commissaris van de Europese Commissie, Frits Bolkestein, hoogleraar in de Intellectuele Grondslagen van Politieke Ontwikkelingen. Als staflid van de Teldersstichting heeft Kinneging in het verleden met Bolkestein gewerkt.

Is de ideologische samenstelling van dit hooggeleerde gezelschap dat in Leiden over filosofische en ideologische grondslagen van recht en staat nadenkt niet eenzijdig? Kinneging draait het om: „Vrijwel alle universiteiten, hogescholen en ook media worden gedomineerd door links. Dat geldt ook voor de departementen en de staf van overheidsadviesorganen zoals de WRR. De publieke sector wordt gedomineerd door het linkse circuit. Linkse circuits benoemen elkaar. Er is een groot gebrek aan pluriformiteit. Hier zijn eindelijk eens een paar mensen aangenomen met andere opvattingen. Het is dan een gotspe om te zeggen ‘is het niet een beetje veel’?”

Zelf heeft Kinneging ook tot de linkse kringen behoord, al waren die gematigd. Hij was lid van de PvdA toen hij in 1979 in Nijmegen politieke wetenschappen ging studeren. Kinneging: „Politicologie heeft twee kanten, de empirische, praktische kant en de politieke filosofie. Ik heb me van meet af aan vooral op de politieke filosofie gericht, een erg belangrijk vak. Politieke filosofie was erg links in die tijd. In de filosofie ging het altijd over Marx en zijn geestverwanten. De filosoof Hegel werd gezien als niet meer dan de voorloper van Marx. Die benadering heette ‘krieties’. Het onderzoek was in die jaren vooral gericht op wat toen maatschappelijke planning heette”, zegt hij. „Vanuit de gedachte: de staat moest de markt gaan vervangen en de vraag was alleen hoe. Ik heb dat ook geloofd.”

Maar de eenzijdigheid van zijn studie deed hem zijn geloof in het gedachtegoed van de legendarische jaren zestig verliezen. Terwijl de progressieve docenten bleven hameren op maatschappelijke en economische maakbaarheid door de overheid, was Nederland in een diepe recessie geraakt en was er weinig toekomst voor de studenten. Met zijn gematigd linkse oriëntatie werd Kinneging als rechts beschouwd. Een docent die niet aan de linkse mode meedeed, Herman Aquina, bracht hem in contact met liberale auteurs. Hij las de romans van Ayn Rand, de vrije markteconomen van de Oostenrijkse school, Ludwig von Mises en de Nobelprijswinnaar Friedrich von Hayek, die adviseur was van de conservatieve Britse premier Margaret Thatcher, en de neoklassieke economen van de Chicago School, zoals Milton Friedman. „Ik herinner me dat ik de boeken uit Amerika en uit Duitsland moest bestellen”, zegt hij. „Ik vroeg eens naar een titel van Hayek in een Duitse boekhandel en ik kreeg slechts te horen ‘aber das ist doch ein Reaktionär?’.”

Hij liep stage bij de denktank van de VVD, de Teldersstichting, en werd daar medewerker. „Het was het tijdperk van partijleider Ed Nijpels. De discussie ging toen over marktwerking of staatssturing, waarbij de minderheid van demensen die voor de markt waren, verketterd werd. En ik heb als jonge man meegemaakt dat halverwege de jaren tachtig de publieke opinie binnen een paar jaar omsloeg. Ongelooflijk. Ook in de PvdA. Opeens was alles markt. Dat was wat je noemt echt een paradigma-wisseling.”

De tijdgeest zat mee. In 1987 kreeg Andreas Kinneging een beurs om aan de Leidse universiteit te promoveren. Hij wilde „de grondslagen van het liberalisme beschrijven. Dat wilde ik doen door het af te zetten tegen het klassieke humanisme; daar was het liberalisme een reactie op. De liberaal gaat niet uit van de publieke zaak maar van het individu. Bij de klassieke humanisten is het perspectief omgekeerd: de mens als sociaal wezen is niet voorstelbaar los van staat en samenleving. Bij de liberaal is het goede leven het nut wat je ervan hebt of de persoonlijke zelfontplooiing en bij de humanist is het goede leven een deugdzaam leven.”

‘Toen ik het klassieke humanisme goed wilde doorgronden, kwam ik bij de oude Romeinen uit. Ik las Cicero en Polybius, wat ze schreven over de Romeinse staat. Toen werd me duidelijk dat de mens- en maatschappijvisie van de klassieke auteurs veel beter was dan die van het moderne liberalisme. Ik kreeg de blinde vlekken van het liberalisme in de gaten. Dat geldt zelfs voor Hayek die een knap oeuvre heeft nagelaten met onmisbare inzichten over staat en markt. Hij vertrouwt te veel op de structuur van vraag en aanbod.

„Of neem de deugd van de trouw. Iemand die niet trouw is aan het gegeven woord kan, als dat bekend wordt, ook geen contracten meer sluiten. Dan kan hij geen geld meer verdienen. Volgens het liberalisme brengt de markt daarom vanzelf trouw voort, het is in het belang van de marktpartijen. Die gedachte zie je bij Hayek, bij Friedman en bij andere liberalen. Maar de markt genereert trouw in onvoldoende mate. De toegenomen marktwerking van de afgelopen jaren is gepaard gegaan met een afname daarvan. De contracten worden steeds dikker, er zijn steeds meer rechtszaken, steeds hogere straffen en steeds meer politie. Trouw ontspringt aan andere bronnen dan de markt, vooral aan de klassiek humanistische traditie, de middeleeuws aristocratische en christelijke tradities die samen vele eeuwen de ruggengraat van de maatschappij zijn geweest. Pas met de gifgaswolken en mechanische mitrailleursalvo’s van de Eerste Wereldoorlog is daar de klad in gekomen. De jaren zestig hebben aan die tradities een definitief einde gemaakt.”

Toen Hans Dijkstal partijleider werd, zegde Kinneging zijn lidmaatschap van de VVD op. „De VVD werd toen definitief een partij van liberaal individualisme en marktdenken. Terwijl het beginselprogramma van de VVD uit 1948 spreekt over de christelijke grondslag van onze samenleving. Datzelfde traditionele ethos vlamde nog op met de figuur van Bolkestein maar is met diens vertrek naar Brussel geheel verdwenen.”

Ook het belang van de elite is een vergeten thema uit het traditionele denken over staat en samenleving. Kinneging: „Het besef dat er een eliteprobleem is, is vrijwel verdwenen. Iedere maatschappij, hoe democratisch ook, heeft een maatschappelijke top. Die bepaalt in belangrijke mate wat er gebeurt. Maar de leden van de elite zijn nu uit net zulk krom hout gesneden als alle anderen. De elite moet doordrongen zijn van het besef dat macht verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Ze moet een persoonlijke ethiek hebben, plichtsbesef en een gevoel van noblesse oblige. Goed huisvaderschap.”

De elite wordt aan de universiteit gevormd, maar het is volgens Kinneging „niet meer evident wat academische vorming is. Aan de universiteit heersen verwarring en onkunde. Zo is aan mijn juridische faculteit de neiging groot om zich terug te trekken in zogenoemd positivisme: alleen de wet en de rechterlijke uitspraken beschrijven, klaar. Dat wil de arbeidsmarkt, denkt men. Marktdenken en positivisme hangen nauw samen. Verdiepende vakken als rechtsgeschiedenis en rechtsfilosofie moeten zich altijd bewijzen aan de juridische faculteit, omdat men er het nut niet van in ziet. Het besef is weg dat je als jurist kans loopt dat je deel gaat uitmaken van de maatschappelijke elite en dan een brede blik moet hebben en moet hebben nagedacht over het waarom en waartoe. Anders ben je niet in staat goed leiding te geven.

‘De opzet van het Amerikaanse college is beter. Hans Adriaansens die in Utrecht en in Middelburg zo’n college oprichtte, heeft dat goed door. De Europese gedachte dat je op het gymnasium je algemene vorming krijgt, waarna je een vak kunt leren op de universiteit is sinds de mammoetwet achterhaald. We hebben nu een middelbare school die te vergelijken is met een Amerikaanse high school. Wie daarvan af komt, weet heel weinig. Zo iemand heeft de vier jaar algemene vorming van een college hard nodig, eer hij zich kan specialiseren in een vak aan een law school, medical school of wat dan ook. Het Saint John’s College in het Amerikaanse Annapolis is mijn grote voorbeeld. Ze hebben daar geen keuzevakken, ze lezen vier jaar lang de great books van Homerus en Plato tot Dostojevski en Nietzsche, en studeren daarnaast muziek, wiskunde, natuurwetenschappen in het laboratorium, Grieks en een moderne taal. Na die vier jaar begrijp je wat van de wereld en zul je nooit een vakidioot worden.”

De Burke-stichting, waar Kinneging voorzitter van is, organiseert conferenties en geeft cursussen voor studenten in het westerse intellectuele erfgoed. Er komen redelijk wat jongeren opaf. Het instituut staat volgens de website voor ‘een kleine, weerbare overheid, een krachtige civil society, en verantwoordelijke en betrokken burgers’. Kinneging: „Het idee voor de stichting kwam van een paar mensen die ik kende, onder wie de voormalig journalist van het Reformatorisch Dagblad, Bart-Jan Spruyt, en oud-studenten van mij. De stichting moest een debat beginnen over het erfgoed. Niemand had vermoed in wat voor vaarwater je dan terecht komt. Veel journalisten begrepen er geen bal van en vroegen ons over allerlei actualiteiten terwijl wij het wilden hebben over De Tocqueville en andere grote denkers.”

Toch verscheen Spruyt, inmiddels directeur van de Burke-stichting, met de politicus Geert Wilders op tv alsof hij een samenwerkingsverband met hem was aangegaan. Kinneging: „Het was wat naïef dat Spruyt zich daarvoor leende. Had het aan mij had gelegen, dan had de Burke-stichting nooit partijen geadviseerd. Ik heb altijd gevonden dat de Burke-stichting zich op het intellectuele debat moest concentreren. Afgelopen najaar hebben we de bakens verzet. We hebben de politiek radicaal de deur uitgezet. Als gevolg daarvan vielen grote geldschieters weg, zoals het farmaceutische bedrijf Pfizer en Microsoft, en moest de hele staf worden ontslagen onder wie Spruyt zelf. Pfizer wil concreet onderzoek naar de zorgverzekeringswet, de Burke-stichting is gericht op de grondslagen van rechtsstaat en samenleving. Daarin zijn dat soort bedrijven totaal niet geïnteresseerd.”

Inmiddels werkt Spruyt, die nog onbezoldigd secretaris is van de Burke-stichting, voor de nieuwe Partij voor de Vrijheid van Wilders. Brengt dat de stichting niet in politiek vaarwater? Kinneging: „De Burke-stichting heeft echt niets met politiek te maken. Ze is zoals de Amerikanen zeggen nadrukkelijk nonpartisan. Waar de mensen werken die betrokken zijn bij de Burke-stichting is van geen belang. Ik ken Geert Wilders niet eens.”

Kinneging heeft niet zulke uitgesproken anti-islamitische opvattingen als Spruyt. „Ik weet te weinig van de islam om er veel zinnigs over te zeggen”, zegt hij. „Wat is de kern van de islam en in hoeverre verschilt die van het christendom? Je kunt uit de Koran en de Hadith veel mooie en stichtelijke dingen halen die overeenkomen met de westerse traditie, maar ook iets erg gewelddadigs en intolerants.” Een aantal hoofdstukken uit zijn boek over de rechtsstaat werd vorig jaar opgenomen in een syllabus voor een leadership-programma voor een groep moslimstudenten van de Haagse Hogeschool. Kinneging: „Gewone aardige jonge mensen met een islamitische achtergrond. Toen ik over de rechtsstaat vertelde, zaten ze allemaal instemmend te knikken. Daarna vertelde een radicale imam uit Nigeria hun dat de sharia als grondwet moest worden ingevoerd. Tot mijn verbazing reageerden ze op die imam niet minder positief. Je ziet dat die jonge mensen verschillende kanten op worden getrokken. Het is wel zaak dat we hen niet van ons vervreemden en het kamp van terroristen injagen door alles en iedereen over een kam te scheren.

„Het is voor seculiere intellectuelen moeilijk om te begrijpen welke grote rol religie speelt in het leven van talloze mensen en wat voor positieve en negatieve krachten religie kan losmaken. De seculiere intellectueel heeft zelf de filosofie als vervanger van de religie. Maar die rol kan de filosofie niet spelen in het leven van het volk. Nooit.”

    • Maarten Huygen