De juf moet minder praten

De ‘gereedschapskist’ van Taallijn zit vol instrumenten om taal uit te lokken bij taalzwakke peuters.

Jacqueline Kuijpers

Op peuterspeelzaal De Meibloem in Nijmegen is het thema deze weken ‘kriebelbeestjes’. Op de verteltafel liggen plaatjes en prentenboeken over insecten. Foto Flip franssen Nederland, Nijmegen, 4-4-2006 Leerlingen van basisschool de Meiboom bezig met project kriebelbeesten Foto: Flip Franssen, NVF, 024-3238442 Onderwijs Franssen, Flip

‘Beestjes! Waar zijn jullie?” Gewapend met lege jampotjes zijn de peuters van peuterspeelzaal de Meibloem in Nijmegen in de tuin op zoek naar insecten, ofwel ‘kriebelbeestjes’. Maar de kriebelbeestjes houden zich gedeisd en dus buigen de peuters en de leidsters zich maar over wat vogelpoep op de stoep. Kriebelbeestjes is deze weken het thema op de peuterspeelzaal en op de naburige basisschool de Meiboom. De ramen zijn versierd met kleurige plakwerkjes van rupsen en vlinders en op de ‘verteltafel’ liggen prentenboeken over insecten.

Het thema is onderdeel van de Taallijn. Dit is een taalstimuleringsprogramma dat in opdracht van het ministerie van Onderwijs is ontwikkeld door het Expertisecentrum Nederlands van de Radboud Universiteit in Nijmegen en Sardes. De Taallijn is geen nieuwe taalmethode voor peuters en kleuters, maar een ‘gereedschapskist’ voor peuterleidsters en leerkrachten vol instrumenten om taal uit te lokken bij jonge kinderen met een taalachterstand.

In plaats van weer een nieuwe taalmethode te ontwikkelen bedachten het Expertisecentrum Nederlands en Sardes dat het zinvoller zou zijn om peuterleidsters en leerkrachten bewust te maken hoe ze kinderen aan het praten kunnen krijgen. Want dat is de crux: taal leer je door taal te gebruiken.

Dat klinkt als een open deur, maar de praktijk is weerbarstig. Want juffen en meesters praten zelf graag en veel, maar daar leren jonge, taalzwakke kinderen geen taal van. Wat ze zouden moeten doen is meer als ‘gespreksleider’ optreden, maar die knop is moeilijk om te zetten, merkt Peters. “Dat zien we in de trainingen die we geven aan peuterleidsters en leerkrachten die met de Taallijn gaan werken. Ze hebben het idee dat ze de kinderen veel aan het woord laten, maar als ze zichzelf op video terugzien, zien ze ineens dat ze wel dertig minuten achter elkaar instructie geven.”

Juf Anneriet Bakker van groep ½ van de Meiboom herkent dat. “Ik moet me inhouden om iets niet te zeggen. Dat moet je je bewust worden. Nu stel ik bijvoorbeeld heel veel open vragen: hoe, wat, waar en wie. En ik heb geleerd om heel goed en serieus te luisteren naar de kinderen en door te vragen.”

Taallijn heeft vijf speerpunten, te weten gesprekken met peuters en kleuters, actieve woordenschatontwikkeling, interactief voorlezen, ict en ouderbetrokkenheid. “De kern is interactie tussen kinderen en leidsters en tussen kinderen onderling”, zegt Peters. “Dat betekent bijvoorbeeld niet per se dat ene prentenboekje in een kwartier voorgelezen willen hebben – ‘sst, ik ben aan het lezen’`– maar juist open staan voor de inbreng van de kinderen. Dan creëer je kansen. Belangrijk is om een prentenboek letterlijk voor te lezen en het niet eenvoudiger te vertellen, want anders leren de kinderen alleen wat de leidster wil dat ze leren. En we merken geregeld dat die te lage verwachtingen van de kinderen hebben.”

Taalstimulering is het meest effectief wanneer er sprake is van een doorgaande lijn. Daarom is de Taallijn recent uitgebreid tot in de eerste groepen van het basisonderwijs, waardoor de kinderen ook voorbereid kunnen worden op het leren lezen in groep 3. Kleuters krijgen dezelfde thema’s die ze eerder op de peuterspeelzaal al hebben gehad, verder uitgediept. Ieder thema duurt een aantal weken. Voorbeelden zijn ‘kunst’, ‘sprookjes’ en ‘wonen’. Het anker van ieder thema is een prentenboek. Daaromheen worden de meest uiteenlopende activiteiten georganiseerd.

Jazairah (4) en Phi (5) buigen zich giechelend over de slak die zij vanochtend gevonden hebben en bekijken hem door een vergrootglas. Dit hoekje van het lokaal is ingericht als natuurmuseum. In de zandtafel is een gangenstelsel gegraven, als was het een mierenhoop. In een andere hoek van het lokaal tekenen kinderen kriebelbeestjes na. Deze samenhang is kenmerkend. In elke hoek komen de kinderen dezelfde woorden tegen, waardoor ze beter beklijven, zo blijkt uit eigen onderzoek van het Expertisecentrum Nederlands van eind vorig jaar. Daarin werd een groep kinderen van de Meiboom vergeleken met een controlegroep afkomstig van vergelijkbare scholen. Op basis van de resultaten op de afgenomen woordenschattoetsen kon geconclu- deerd worden dat de themagerelateerde woordenschat zich sterker uitbreidde dan wanneer er rond dit thema alleen een boek werd voorgelezen.

Een belangrijk onderdeel van de Taallijn is ouderbetrokkenheid. Dit wordt gestimuleerd met zogenoemde gezinsportfolio’s. Aan het einde van een thema mogen de kinderen een aantal werkjes mee naar huis nemen en samen met hun ouders kiezen welk werkje ze in hun portfolio willen opnemen. Dat is een map die met het kind meegroeit, van groep 1 tot en met groep 8. Het portfolio biedt gespreksstof voor de kinderen, die bijvoorbeeld op een speciale vertelstoel wat mogen vertellen over hun werkjes, maar ook voor de ouders tijdens de oudergesprekken op school.

Kenmerkend tot slot is dat er nog maar weinig klassikaal gedaan wordt. Zelfs de kring niet. Op meerdere momenten worden kleine kringen gevormd. “Daarin komen echte gesprekken op gang”, zegt Peters, “en zo leren de kinderen spelenderwijs gesprekstechnieken. Ze hoeven hun vinger niet op te steken als ze wat willen zeggen, maar ze mogen op elkaar reageren. Maar ze moeten wel naar elkaar luisteren, elkaar laten uitpraten en elkaar aankijken.”

In samenwerking met schoolbegeleidingsdiensten, pedagogische centra en bibliotheken zijn al meer dan 3500 peuterleidsters (van ruim 600 peuterspeelzalen) geschoold in de Taallijn. Dit jaar komen daar leidsters en leerkrachten van nog eens ruim 750 instellingen bij.

www.taalonderwijs.nl; www.sardes.nl

    • Jacqueline Kuijpers