Dagboek van een cultuurconsument

Elkaar culturele verrassingsuitjes geven als verjaardagscadeau bestrijdt de cultuurstress, merkt Ellen de Bruin. Maandelijkse rubriek

Remco Campert Foto Vincent Mentzel Remco CAMPERT,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH "Een liefde in Parijs" ==F/C==Amsterdam, 28 januari 2004 Mentzel, Vincent

Als de zon schijnt, maakt het niet zoveel meer uit wat je niet doet. Deze maand bijvoorbeeld geen enkel Librisboek gelezen en weliswaar drie keer naar het theater geweest maar toch nog ‘Opening Night’ van Toneelgroep Amsterdam gemist, terwijl ik dat toneelfilmstuk zó graag had willen zien! Maar spijt, schuldgevoel, cultuurstress – alles smelt met dit weer, alles wordt vrolijk. Ben nog wel even op jacht geweest in eigen huis naar designklassiekers om naar te kijken, want designklassiekers zijn weer hélemaal in en je schijnt er nog gelukkig van te worden ook. Maar toen ik geen enkele postzegel of Rietveldstoel, nog geen Bosatlas, potje Marmite of Calvé pindakaas in huis had, bleek dat ook weer niet erg – want er was wel huismerk met stukjes noot en op het etiket daarvan stond dat die stukjes bestemd waren ‘voor de echte pindaliefhebber die dit graag in z’n pindakaas aantreft’, wat mij gelukkiger maakte dan welk klassiek ontwerp ook.

Bovendien was het uitjesmaand, vandaar al dat theater. In de lente is een kleine driehoekige deelverzameling van mijn vriendenkring jarig en omdat we alles al hebben geven we elkaar altijd verrassingsuitjes, waarbij de jarige van de drie alleen weet hoe laat hij waar moet staan in welke staat van gegetenheid. Meestal wordt het iets cultureels, zodat we ons die maand tenminste niet meer druk hoeven maken om onze cultuurconsumptie. En bovendien-bovendien was ik daarvóór nog uitgenodigd voor ‘een concert, iets met zangers’, aldus het smsje, in Felix Merites in Amsterdam, waarvoor aan de doorgaans-film-vriend onverwachts kaartjes waren verschenen.

Het bleek prachtige, twintigste-eeuwse kamermuziek te zijn, verhalend maar zonder duidelijk waarneembare structuur – ik kan het niet anders omschrijven. Het orkest bestond uit leden van een serieus en wereldvreemd ogend menstype dat je vrijwel nooit gewoon op straat of in de supermarkt of zo ziet, dat hooguit in films opduikt. Een forse cellist met Einsteinhaar en hamsterwangen, een boekhouder op klarinet, een pezige oudere dirigent wiens voorste plukje haar als een klein wit veertje meedanste bij iedere klank en beweging. Van ‘zangers’ was geen sprake; wel bracht een af en toe opdravende sopraan onder meer een heerlijk lief lied over een knie.

Daarna werd een schemerlamp het podium opgereden (kamermuziek immers), er werd een man met een te grote bolhoed achter een Duitse krant in een fauteuil neergezet, en terwijl deze man rustig de krant las, probeerde de nu nog theatraler geklede sopraan in steeds hysterischer wordende zang vergeefs zijn aandacht te trekken. Op een gegeven moment hing ze zelfs vlak bij ons aan de zijkant van de zaal in de gordijnen. Het was fantastisch. Maar mooier nog was de man naast me, pal naast het sopraangeweld: die keek strak naar het podium met de muzikanten, alsof het dáár gebeurde. En hij keek alsof er niet eens zo heel veel gebeurde, met milde, licht afwezige blik, alsof hij dacht: aardig concerttje, morgen niet vergeten die diel te closen – maar eerder nog keek hij alsof hij deed alsóf hij dat dacht. Die heeft thuis vast ook zo’n vrouw, fluisterden de filmvriend en ik tegen elkaar.

Daarna volkomen voldaan langs de grachten naar huis gedwaald (de Ebony Band, onthou die naam). En toen moest de uitjescyclus nog beginnen. Die bestond uit Orkaters mooie ‘Hof van Haile’, over de koning van Ethiopië (Pierre Bokma) en een Noorse journalist (Ricky Koole) – en omdat een van ons in Ethiopië heeft gewoond, de tweede regelmatig in Noorwegen komt en de derde journalist is, wisten we meteen al niet meer wiens uitje het was. Daarna ‘Vrouw van vroeger’, wat een griezelig relatie- en wraakdrama bleek, maar gelukkig heeft het Compagnietheater een heel prettige houten foyer waar we onze konijn-in-de-koplamp-ogen achteraf tot normale proporties konden terugdrinken.

En dan nog het maffiacabarettoneelstuk ‘Vendetta’ van De Ploeg, in de zondagmatinee. Je probeert van zulke voorstellingen toch altijd een beetje om de beste grap te onthouden zodat je daar later zelf nog eens mee kunt schitteren, maar toen we naar huis liepen werden we ingehaald door een ambulance en een politiewagen. Die kwamen we even later tegen bij de haringkar bij de Munt: loos alarm. „U heeft correct gehandeld meneer”, zei een van de agenten geruststellend tegen de man van de haringkar, terwijl de ambulancebroeder nog eens verveeld zijn kralenzitting opschudde. „Ja sorry”, zei de man van de haringkar. „Bij een haring ken ik het altijd wel zien.” En daar kwam ‘Vendetta’ dus net niet overheen.

Tussendoor ook nog Remco Camperts mooie nieuwste gelezen, waarvan de boodschap aan mij was dat je op elk moment van je leven opnieuw kunt beginnen, hoe oud je ook bent; en toen hoefde ik even niets meer van mezelf, cultureel of anderszins, zo blij was ik met de wereld. In die stemming trouwens nog wel even kaartjes voor ‘Opening Night’ geregeld. Er was nog plek, volgende week.