Bulgarije-Libië: weer zorgen cartoons voor ophef

Bulgarije hoopt aan het begin van een proces tegen vijf Bulgaarse verpleegsters in Libië. Cartoons in een Bulgaars blad dreigen roet in het eten te gooien.

De Bulgaarse diplomatie heeft vorige en deze week alle zeilen moeten bijzetten om een rel met Libië te sussen – een rel die op het slechtst denkbare tijdstip kwam: aan de vooravond van een nieuw proces tegen vijf Bulgaarse verpleegsters, die sinds 1999 in Libië gevangen zitten op de beschuldiging, bewust een aids-epidemie op gang te hebben gebracht. De vijf zijn al eens ter dood veroordeeld.

De Bulgaarse krant Novinar drukte op 3 mei twaalf spotprenten af waarin Libië, zijn rechtssysteem en zijn leider Moammar al-Gaddafi belachelijk werden gemaakt. Een van de spotpreten toonde Gaddafi, met de drietand van een duivel, die roert in een soep waarin de hoofdkapjes van verpleegsters drijven. Een andere toonde een gesluierde moslima met een condoom over het hoofd en een derde stelde Gaddafi voor aan een schaakbord met schaakstukken in de vorm van verpleegsters en olievaten.

Het tijdstip van de publicatie had niet ongelukkiger kunnen zijn, want een week nadat Novinar de prenten publiceerde zou in het Libische Tripoli een nieuw proces beginnen tegen de vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts, die allen de doodstraf riskeren. De sage van de verpleegsters houdt Bulgarije al sinds februari 1999 in de ban. Toen werden ze met een Palestijnse arts in het Al Fateh-kinderziekenhuis in Benghazi gearresteerd. Ze zouden in een vreselijk complot bewust 426 Libische kinderen met aids hebben besmet. Volgens critici van het Libische bewind probeert het met de aanwijzing van zes zondebokken de deplorabele hygiënische toestand in het kinderziekenhuis te verhullen – volgens aids-deskundigen de werkelijke bron van de epidemie.

Alle pogingen van Bulgarije (en de EU, en individuele landen) de verpleegsters vrij te krijgen (of vrij te kopen) mislukten en in mei 2004 werden de zes in Benghazi tot de doodstraf voor het vuurpeloton veroordeeld. Dat vonnis werd op 25 december vorig jaar door het Libische Hooggerechtshof vernietigd; de zes beklaagden moesten een nieuw proces krijgen – dat afgelopen donderdag zou beginnen, niet meer in Benghazi, maar voor het Hof van Beroep in Tripoli.

Geen wonder dat de publicatie van de spotprenten een week voor dat nieuwe proces onmiddellijk in Sofia alle alarmbellen aan het rinkelen bracht. De Bulgaarse president Georgi Parvanov zelf – die naar eigen zeggen „verbaasd en gealarmeerd” was – riep nog op diezelfde dag de Libische ambassadeur bij zich om hem te wijzen op de spotprenten. Hij verzekerde de ambassadeur dat de „geïsoleerde daad” van de krant geenszins de instemming had van „de Bulgaarse instanties en het Bulgaarse publiek als geheel”. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Sofia gaf onmiddellijk – nog vóór de Libiërs hadden kunnen reageren – een verklaring uit met dezelfde inhoud, waarin verder de hoop werd uitgesproken dat de publicatie van de spotprenten geen invloed zal hebben op het verloop van het proces tegen de Bulgaarse verpleegsters.

Sindsdien heeft de Bulgaarse diplomatie, zowel in Sofia als in het Libische Tripoli, alles gedaan om de schade te beperken. Deze week kregen de ambassadeurs in Sofia van Irak, Marokko, Syrië, Jemen en Soedan van onderminister van Buitenlandse Zaken Feim Tsjausjev nog eens te horen dat de publicatie van de spotprenten echt een actie van een krant was waar alles en iedereen in Bulgarije, van de president en de premier en de regering tot „de samenleving”, afstand van nam.

De Libiërs van hun kant hebben herhaaldelijk laten weten dat ze zich heel beledigd voelen, want de spotprenten „vervullen het Libische volk van teleurstelling en verontwaardiging”, ze „schenden de waardigheid van de Libische leider, brengen de Libische justitie in diskrediet en beledigen het Libische volk” en ze zullen zeker consequenties hebben, zo kreeg de Bulgaarse ambassadeur in Libië te horen toen hij op het Libische ministerie van Buitenlandse Zaken op zijn kop kreeg.

Wie hoe dan ook géén afstand nam van de spotprenten was de uitgever van Novinar, Miroslav Borsjosj, die liet weten de spotprenten te bedoelen als „artistieke intellectuele provocatie”. Hij liet zich niet overtuigen door de ophef in Sofia of door de gedachte dat het tergen van Libië fatale consequenties kan hebben voor de vijf Bulgaarse verpleegsters.

Integendeel zelfs: hij stuurde de spotprenten door naar rond honderd buitenlandse kranten die eerder dit jaar controversiële cartoons over de profeet Mohammed hebben gepubliceerd. „Er is geen gerechtigheid in Libië, en we hopen dat de internationale gemeenschap aandacht besteedt aan het proces”, aldus probeerde Borsjosj zich tegenover de International Herald Tribune te rechtvaardigen. Hij meende niet dat de publicatie van de spotprenten het lot van de verpleegsters negatief beïnvloedt. „En als ze dat wel doet, moet Bulgarije uitzonderlijk scherp reageren.” Hoe Bulgarije uitzonderlijk scherp moet reageren nu het al zeven jaar met alle middelen, maar vergeefs, probeert de vijf verpleegsters vrij te krijgen, zei hij er niet bij.

De zitting van donderdag van het Hof van Beroep in Tripoli eindigde overigens al snel: ze werd verdaagd tot 13 juni, tot teleurstelling van Bulgaarse diplomaten èn tot teleurstelling van honderden familieleden van met aids besmette Libische kinderen, die – als steeds als een rechtbank in Libië zich met deze zaak bezighoudt – naar de rechtszaal waren gekomen om gerechtigheid te eisen.

    • Peter Michielsen