VSB-prijs

In zijn stuk over de nominaties voor de VSB-poëzieprijs (Boeken, 21.04.06) schrijft Ilja Leonard Pfeijffer dat het `wel degelijk mogelijk [is] om met een zekere mate van objectiviteit vast te stellen welke poëzie van belang is`. Uit het stuk valt op te maken dat vernieuwende poëzie `objectief gezien` belangwekkend is en traditiegetrouwe poëzie niet. Je krijgt door Pfeijffers gebrek aan argumentatie de neiging om dit criterium in twijfel te trekken, maar vooruit: natuurlijk is wild en riskant beter dan traditiegetrouw en laf. Ook vanuit deze stelling roept Pfeijffers waardering van de verschillende bundels vragen op. De bundel van Peter Ghyssaert voldoet bijvoorbeeld volgens Pfeijffer niet aan de objectieve maatstaf. In de boekenbijlage van 1 juli 2005 waardeert Arie van den Berg deze bundel als `een dappere worp naar het poëtische Luilekkerland achter de horizon`. Van den Berg vond de gooi nog raak ook. Gemeten aan ogenschijnlijk hetzelfde criterium, wordt Ghyssaert door twee ervaren critici geheel verschillend gewaardeerd. Het had Pfeijffer gesierd als hij had proberen te motiveren waarom hij Ghyssaert traditiegetrouw en bovendien laf vindt. Mijn vermoeden is dat deze motivering niet te vinden is en dat Ghyssaert een bundel schreef `met een hoge inzet`. `Objectief gezien` een belangwekkende bundel dus, alleen eentje die Ilja Leonard Pfeijffer niet smaakt.

Nog suffer is Pfeijffer als hij Esther Jansma`s bundel afdoet als `oude vertrouwde Esther Jansmapoëzie, vol opgroeiend kroost`. Gedichten over kinderen kunnen niet voldoen aan het criterium voor belangwekkende poëzie? Dat is natuurlijk onzin. Pfeijffer houdt er gewoon niet van. Opnieuw, niks `objectief gezien`.