“Vind maar iets dat rijmt op tafel'

Arthur Wevers schrijft een roman in rijmende verzen.

Zo'n rigide vorm, dat is niet makkelijk. “In het Nederlands is het lastig rijmen.“

Arthur Wevers, schrijft een roman in dichtvorm

Een willekeurig vers, ergens rond bladzijde 100, van wat de eerste Nederlandse roman in sonnetten moet worden. Arthur Wevers (Odijk, 1970) werkt er nu ruim 3 jaar aan en heeft zo'n 150 bladzijden gereed. Als het voltooide manuscript op 1 april 2007 bij Uitgeverij Contact afgeleverd wordt, zullen het er tegen de 300 zijn, schat hij.

In andere talen bestonden ze al lang, romans in rijmende verzen. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk Aleksandr Poesjkins Jevgeni Onegin (1833). Wevers las een volgens hem geslaagde Nederlandse vertaling en vroeg zich af waarom niemand ooit zoiets in onze taal had gedaan. Hij besloot het te proberen. Zijn boek is daarmee in de eerste plaats een experiment in taal. Het verhaal, dat een chronologisch narratieve opbouw kent, zit al lang in zijn hoofd: “De plot was er al snel. Toen was het lang zoeken naar de juiste vorm. Zonder een dwingende structuur ben ik geneigd alle kanten op te gaan. De sonnetvorm vereist harde keuzes, elke regel weer. En dat levert aardig puzzelwerk op.“

Sonnetten hebben als minimale eis een lengte van 14 regels, twee strofen van vier regels (kwatrijnen) en twee van drie regels (terzetten). Daarbinnen wordt eindeloos gevarieerd in het metrum. Wevers houdt zich consequent aan een ABBA-CCDD-EFF-EGG schema. Behalve van rijm, maakt hij bovendien veelvuldig gebruik van alliteratie. Zo'n streng verspatroon is in het Nederlands een nog grotere uitdaging dan in andere talen, meent hij: “Het Nederlands is een grillige en onregelmatige taal en leent zich slecht om in een strakke vorm gegoten te worden. Bovendien, in het Nederlands is het lastig rijmen. Vind maar eens iets op tafel, of twaalf.“

Het gevaar dat een dergelijk rigide gestructureerd klinkdicht van honderden pagina's ontaardt in een gedragen monotone dreun, moet door de luchtige, ironische toon worden omzeild.

Jevgeni Onegin dankt zijn predikaat meesterwerk niet in de eerste plaats aan de inhoud - die vaak als eenvoudig wordt bestempeld, maar veeleer aan de exceptionele vorm en structuur, en aan de magistrale taal. Het verhaal van Wevers getuigt evenmin van grote complexiteit. Het is in een paar regels verteld en iedereen kan er zich wel iets bij voorstellen: de ik-verteller gaat vreemd met de geliefde van zijn beste vriend. Hij verkeert in de veronderstelling dat de bedrogen vriend niets van het overspel weet en wringt zich in allerlei bochten om dat zo te houden. Wevers: “De plot doet er niet zo gek veel toe. De inhoud van geen enkele roman is op zichzelf interessant. Het gaat in de literatuur om taalvakmanschap; om de juiste combinatie van vertelling en vorm.“

De roman draagt de titel Bittergarnituur: “Bitterballen als metafoor voor de grootst mogelijk troep, smakelijk verpakt. Iedereen doet gretig mee. Dat is zo ongeveer hoe sociaal verkeer, dat in het boek een belangrijke rol speelt, werkt.“ Wevers speelt het spel mee, zonder eronder gebukt te gaan. Het boek is dan ook verstoken van moraal. En in het verwoorden van “hogere waarheden' gelooft hij niet want “die kunnen niet in woorden worden gevat. De enige manier om naar iets groots te verwijzen is door het kleine te benoemen. Suggestie doet de rest.“

    • Manon Braat