Tips voor uw verkiezingsprogramma (2)

Dames en heren, heeft u allemaal een kopje of thee weten te bemachtigen? Fijn. Dan vervolgen wij onze middag, die – zoals ik eerder vertelde – in het teken staat van adviezen van gewone kiezers aan de partijleden die voor CDA, VVD, PvdA, GroenLinks en andere politieke partijen bezig zijn met het schrijven van een verkiezingsprogramma. Ik ga verder met TIP 2.

Tip 2 luidt als volgt: Kies voor ouderwetse vormen van sturing en controle. Ik zal deze tip uitleggen aan de hand van een uiteenzetting over de toestand aan de Nederlandse universiteiten en ik heb mij daarbij laten inspireren door een prachtige jaarrede van professor Frits van Oostrom, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De jaarrede werd afgelopen maandag gehouden en u kunt hem terugvinden op de site van de KNAW.

Universiteiten worden tegenwoordig ‘aangestuurd’ met een reeks van moderne sturingsinstrumenten en al deze instrumenten hebben perverse effecten. Daar is ten eerste het systeem van de prestatie-indicatoren. Regelmatig komt het voor dat opleidingen worden gefinancierd op basis van het aantal studenten dat de eindstreep haalt. Hoe redelijk dit ook klinkt, u kunt verzinnen dat dit heel makkelijk kan leiden tot, bijvoorbeeld, het verlagen van de kwaliteitseisen bij eindwerkstukken. U denkt misschien dat dit kan worden ondervangen door een inhoudelijke controle op die werkstukken, maar daarmee bent u er nog niet. U weet dan immers nog niet of de student dat werkstuk zelfstandig, zij het onder begeleiding heeft geschreven, dan wel dat de docent de volledige opzet heeft verzonnen, het te volgen theoretisch model zo ongeveer heeft voorgekauwd en een halve week bezig is geweest met het corrigeren van stijl, spelling en aanpak.

Het is met prestatie-indicatoren droef gesteld. Als je er relatief weinig hebt weet je zeker dat men zich het vuur uit de sloffen zal lopen om eraan te voldoen en dat dit zal gaan ten koste van andere, niet gemeten maar ook belangrijke elementen van het werk. Heb je veel prestatie-indicatoren, dan treedt dit effect niet op, maar dan kun je voorzien dat men een groot deel van de werktijd bezig is met administreren.

Daar is ten tweede het systeem van de projectfinanciering. Universiteiten hebben een relatief klein eigen budget, de zogeheten ‘eerste geldstroom’. Onderzoekers worden geacht aanvullende financiering te vinden voor projecten in de tweede geldstroom bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Het kunnen binnenhalen van tweedegeldstroomprojecten is geleidelijk een eis geworden waaraan iedere onderzoeker die carrière wil maken moet voldoen. Onderzoekers worden dus gedwongen een flink deel van hun tijd te besteden aan het maken van plannen waarvan onduidelijk is of deze ooit zullen worden uitgevoerd, want de uitslagen van de tweedegeldstroomcompetitie zijn ongewis. Elke ronde opnieuw is men verplicht in rampzalig opschepperig proza de verdiensten van de eigen onderzoeksgroep en het belang van de voorgenomen publicaties aan te prijzen. Onderzoekers die toevallig in een bepaalde subsidieronde niet meedoen kunnen er vrij zeker van zijn dat zij zullen worden benaderd om voorstellen te beoordelen, hetzij als anonieme referent, hetzij als lid van een NWO-beoordelingscommissie die de verdiensten van de verschillende voorstellen tegen elkaar afweegt. De eindeloze strijd om projectsubsidies heeft tot gevolg dat aan moderne universiteiten een hijgerige sfeer hangt, waarin iedereen voortdurend op jacht is naar ‘nieuwe potjes met geld’. Getalenteerde jonge onderzoekers hebben in de regel geen vaste aanstelling meer, zij moeten elke twee of drie jaar weer afwachten of hun project kan worden gefinancierd. Velen van hen zien dat niet zitten en gaan op zoek naar een baan met meer zekerheid buiten de academie.

Er is ten derde het systeem van wat genoemd wordt de zelfstudie. Eens in de zoveel tijd worden universitaire opleidingen en onderzoeksgroepen gevisiteerd. Dan komt er een groep collega-onderzoekers en studenten op bezoek en die kijken hoe het gesteld is met de kwaliteit van onderzoek en onderwijs. Dat gebeurt echter niet op basis van toch al klaar liggende documenten: scripties, werkstukken, tentamens, studentenevaluaties en jaarverslagen met publicatielijsten. Nee, de opleiding moet daarvoor een zelfstudie vervaardigen, een speciaal document waarin men zijn eigen sterktes en zwaktes analyseert, in het eerder genoemde opschepperige proza, maar nu vermengd met een (vooral weer niet te grote) portie zelfkritiek.

Beste dames en heren programmaschrijvers: houd op met deze vreselijk tijdrovende manieren van sturen. Breek een lans voor ouderwetse vormen van toezicht. Wat is er mis met een inspecteur die achterin de klas of de collegezaal zit? Laat een visitatiecommissie scripties, werkstukken, tentamens en publicaties bekijken. Zorg voor gewone, niet projectgebonden, vaste aanstellingen en ontsla mensen als ze disfunctioneren. Ouderwetse vormen van toezicht en controle fungeren als toezicht op het werk dat mensen toch al behoren te doen.

Moderne sturingsinstrumenten daarentegen creëren een eindeloze reeks hoepels waar mensen doorheen moeten springen. Stop met die malle hoepels en ik weet zeker dat veel gewone kiezers uw programma in hun hart zullen sluiten.

www.margotrappenburg.nlEerdere columns van Margo Trappenburg

    • Margo Trappenburg