Tegen Rembrandt leg je het altijd af

Ze werden steeds grondiger en beter, de Monografieën van Nederlandse Kunstenaars van uitgeverij Waanders en het Prins Bernhard Cultuurfonds. Deel 18 bijvoorbeeld, het boek over de beeldhouwer Han Wezelaar door Jan Teeuwisse (2003), was een voorbeeldige kunstenaarsmonografie, met grote toewijding en kennis van zaken geschreven en mooi geïllustreerd. Zo'n boek gun je iedere goede kunstenaar.

Maar hoewel er nog genoeg goede kunstenaars zijn, besloot het fonds onlangs de reeks niet langer te subsidiëren. Teeuwisse, inmiddels hoofdredacteur van de Monografieën en deskundige op het gebied van de Nederlandse beeldhouwkunst, bleef zitten met een lange lijst interessante beeldhouwers wier oeuvre in kaart moest worden gebracht. Het door hem opgerichte Sculptuurinstituut in Scheveningen maakt nu een eigen reeks beeldhouwersmonografieën. De boekjes hebben een bescheiden formaat en bevatten alleen zwart-witreproducties, maar er wordt ook hier veel zorg besteed aan “de administratieve kant'. Zo moet elk deel op zijn minst een oeuvrecatalogus bevatten.

De eerste twee Monografieën van het Sculptuurinstituut zijn gewijd aan Cor Hund (1915) en Piet Esser (1914-2004), twee beeldhouwers uit dezelfde school maar met een zeer verschillend karakter. Esser manifesteerde zich, hij zat in besturen en commissies, kreeg belangrijke opdrachten - voor het Troelstramonument in Den Haag, het Stormrampmonument in Rotterdam en het Lelymonument in Lelystad - en was ruim dertig jaar hoogleraar beeldhouwen aan de Amsterdamse Rijksakademie. Hund werkte een leven lang in de stilte van zijn atelier aan een oeuvre dat Teeuwisse in zijn inleiding “een lang gekoesterd geheim' noemt. Ook hij gaf les aan de Rijksakademie, maar niet als beeldhouwer: hij doceerde Monumentale en Versierende Schilderkunst, een vak in de marge.

Dat Hund schilderles gaf is minder vreemd dan het lijkt, want hij begon zijn loopbaan als schilder en tekenaar en stopte in 1980 met beeldhouwen om de draad van het tekenen weer op te pakken. Zijn tekeningen waren drie jaar geleden ook het eerste stuk van een lang gekoesterd geheim dat naar buiten kwam. Het Rijksprentenkabinet in Amsterdam verwierf toen een selectie tekeningen en publiceerde er 16 in het Bulletin van het Rijksmuseum.

Hund bleek een onverzadigbare kijker, die alles wat hij zag aan het papier toevertrouwde. Hij was (en is misschien nog steeds) zeldzaam goed in het vastleggen van mensen in houdingen die maar een oogwenk duren. Steeds wist hij uit alle beweging om hem heen de meest karakteristieke poses te vissen.

Zijn geboetseerde figuurstudies hebben eenzelfde dynamiek. Echtgenote, kinderen en kleinkinderen, bijbelse en literaire figuren, een schoonmaakster, een blinde met stok of een krantenlezer: hij typeert ze in gips of klei net zo scherp en levendig als in krijt of inkt. En altijd meer dan eens. Misschien was zijn verwondering over de rijkdom aan menselijke houdingen en verhoudingen de reden dat hij steeds maar variaties bleef maken en zelden tot een definitief beeld kwam. Misschien ook was het zijn onzekerheid, die al vroeg werd aangewakkerd door zijn leermeester Jan Bronner (1881-1972).

Het kunsthistorisch besef dat jonge kunstenaars op de Rijksakademie werd bijgebracht, was behalve leerzaam en stimulerend ook vaak een last: hoe je ook ploetert, je legt het altijd af tegen Michelangelo en Rembrandt. Zoals Bronner zelf ruim dertig jaar werkte aan zijn monument voor de schrijver Hildebrand, zo maakte Hund sinds 1960 zo'n 150 studies voor een Multatulimonument. De opdracht gaf hij na tien jaar terug aan de Gemeente Amsterdam, maar hij is in zijn tekeningen nog steeds met het onderwerp bezig. Onlangs nog droomde hij dat Bronner hem aanwijzingen gaf.

“Ik had een fantastisch voorbeeld aan Bronner en dat was inspirerend maar ook belastend', schreef Piet Esser in 1996 in zijn memoires. Esser, ook door Bronner opgeleid, was diens opvolger aan de Rijksakademie. Maar uit zijn autobiografie krijg je de indruk dat hij zich makkelijker dan Hund van zijn leraar losmaakte. “Natuurlijk, zijn voorbeeld was er, maar van 't begin af aan sprak ik wel met eigen woorden'.

Essers eigen woorden vormen de voornaamste tekst in het aan hem gewijde Sculptuurinstituutboekje. Hij presenteert zijn autobiografie als een gesprek met een zelfbedachte studente kunstgeschiedenis en die omslachtige vorm irriteert. Essers kunsthistorica is een ongeduldig dom gansje dat door hem voortdurend met een meewarig dédain (“ach meisje') terecht wordt gewezen - maar het is niet zo moeilijk om een interviewer af te troeven die je zelf verzonnen hebt.

Toch is het goed dat Esser aan het woord wordt gelaten - in het gefingeerde interview en ook in het échte interview dat Lien Heyting kort voor zijn dood met hem maakte en dat eerder verscheen in het Cultureel Supplement van deze krant. De eerste bron voor de kunsthistoricus is tenslotte wat de kunstenaar zelf te zeggen heeft. Daar komt nog bij dat Esser (anders dan je verwacht van iemand die zichzelf interviewt) royaal uitweidt over vrienden en collega's. Zijn lovende woorden over beeldhouwers als Bronner, Zijl, Carasso en Bolhuis maken nieuwsgierig naar hun werk. Hopelijk krijgen ze allemaal een eigen deeltje in deze reeks.

Jan Teeuwisse e.a.: Monografieën van het Sculptuur Instituut. Deel 1: Cor Hund. Waanders, 112 blz. 17,95. Deel 2: V.P.S. Esser. 176 blz. 21,95.

    • Gijsbert van der Wal