Respect voor het eihoofd

Het begrip “intellectueel' is even beladen als “mannelijke balletdanser', schrijft de Britse denker Stefan Collini. Wat is een intellectueel eigenlijk? Hoe heeft hij de 20ste eeuw overleefd? En wordt hij in zijn bestaan bedreigd?

Richard Dawkins Foto Roger Creemers Nederland, Amsterdam, 19-05-2004 Richard Dawkins (1941) is evolutiebioloog (Oxford University) en schrijver. Van zijn hand verschenen o.a. de boeken The Selfish Gene (1976), The Blind Watchmaker (1986) en A Devil's Chaplain (2003). Photo and Copyright Roger Cremers. Cremers, Roger

Op intellectuelen valt altijd wat te mopperen. Soms laten ze zich te veel in met de politiek, wat al helemaal verwerpelijk is als het gaat om extreme ideologieën zoals fascisme en communisme. Dan klinkt weer het verwijt dat ze zich terugtrekken in een ivoren toren. De ene keer luidt de kritiek dat intellectuelen ferme uitspraken doen over onderwerpen waar ze geen verstand van hebben. Op andere momenten is de sombere diagnose dat de ware generalisten zijn uitgestorven en dat er alleen nog deskundigen zijn. Kortom, het is niet goed of het deugt niet.

In zijn met veel brille geschreven Absent Minds. Intellectuals in Britain brengt Stefan Collini, hoogleraar ideeëngeschiedenis aan de universiteit van Cambridge, het Britse debat over de positie en de rol van intellectuelen in de 20ste eeuw uitvoerig in kaart. Soms al te uitvoerig. Alleen de ware anglofiel wil kennis nemen van alle ins en outs rond The Third Programme, de culturele zender van de BBC, of de debatten op de redacties van kleine tijdschriften als Nation en New Age begin vorige eeuw. Maar wie doorzet, wordt beloond met een boeiende geschiedenis van het begrip “intellectual' in het Engelse spraakgebruik en fraaie case studies over dichter T.S. Eliot, schrijver George Orwell, historicus A.J.P. Taylor en de filosofen R.G. Collingwood en A.J. Ayer. Collini maakt ook interessante, vergelijkende excursies naar het debat over intellectuelen in Duitsland, de Verenigde Staten en Frankrijk. Hij buigt zich over actuele kwesties, zoals de steeds dominantere celebrity-cultuur in de media en de toenemende specialisering in de wetenschap; ontwikkelingen die de positie van intellectuelen zouden bedreigen, niet alleen in Groot-Brittannië. En dat alles binnen een knap theoretisch kader, waarin hij de rol van intellectuelen nauwkeurig analyseert.

Intellectuelen in Engeland, bestaan die dan? Engelsen zien zichzelf graag als een natie van nuchtere middenstanders die zich niet snel het hoofd op hol laten brengen door hoogdravende theorieën en abstracte ideeën. Voor een intelligentsia zou in de Britse cultuur weinig plaats zijn. Collini noemt dit stereotype beeld de “traditie van ontkenning'; ze zijn er wel, Engelse intellectuelen, maar ze willen liever niet zo heten. Die observatie is ook voor Nederland interessant, want het Britse zelfbeeld staat niet ver af van hoe de Nederlanders zichzelf graag zien; als een nuchter, pragmatisch volk met een geschiedenis in het teken van tolerantie en handelsgeest; het “land van kleine gebaren' en niet van grote woorden. Het zou de moeite waard zijn als een historicus zich eens zou buigen over de vraag of ook in Nederland zo'n “traditie van ontkenning' bestaat.

Collini traceert de bron van de Britse ambivalentie naar de reactie op de Franse revolutie. Terwijl Frankrijk eind 18de eeuw in de greep was geraakt van politieke oververhitting en geweld, stond Engeland in de ogen van veel Britten voor stabiliteit en gezond verstand; het abstracte rationalisme van de Fransen kreeg het pragmatisch empirisme van de Engelsen als tegenhanger; retorische overdrijving werd beantwoord met ironie en gevoel voor understatement. Deze culturele sjablonen liggen volgens Collini ten grondslag aan de ambivalente houding van veel Engelsen ten aanzien van de figuur van de intellectueel - niet in de laatste plaats van de schrijvers en denkers zelf.

Collini geeft daar talrijke voorbeelden van. George Orwell sneerde in de jaren dertig over de Engelse intelligentsia: “Ze halen hun kookkunst uit Parijs en hun opinies uit Moskou.' Zeer streng is Collini's oordeel over de pose van Orwell als man van het volk en diens scheldkanonnades op “verwijfd links' in de jaren dertig (voornamelijk de dichtersgroep rond W.H. Auden). Ook Engelse schrijvers die zich niet negatief uitlieten over “de' intellectueel, betreurden geregeld de afwezigheid van de soort in eigen land. Zo constateerde Iris Murdoch begin jaren vijftig een volledig gebrek aan debat over de fundamentele uitgangspunten van hun vak onder Britse filosofen. Virginia Woolf kreeg als representant van humorloze high brow harde aanvallen in de Britse pers te verduren. De politicoloog en Labour-politicus Harold Laski werd na het einde van de Tweede Wereldoorlog zelfs het slachtoffer van een hetze van de boulevardpers, die hem neerzette als de “rode professor' die het socialisme desnoods met geweld in Engeland wilde invoeren. Hij stapte naar de rechter wegens smaad, maar de jury gaf hem ongelijk.

Het idee van Engeland als een land dat anders - en meestal beter - was dan het continent (lees: Frankrijk) kreeg een sterke impuls door de heroïsche rol van de Britten in de Tweede Wereldoorlog. Het beeld van een nation of shopkeepers was daarna volgens Collini het meest dominant in de jaren vijftig. Dat kwam voornamelijk door wat Engeland niet had: een Sartre. De figuur Sartre, en met hem het algemene beeld van de Franse intellectueel, had zo'n status, dat de Engelsen de intellectuelen onder hun eigen neus niet opmerkten. Dat berust op een misverstand, meent Collini. Aan het Franse voorbeeld valt volgens hem slechts een beperkte definitie van de rol van de intellectueel te ontlenen.

Veel beschouwingen over intellectuelen lijden aan wat Collini noemt “Dreyfus-envy'. De moderne Franse intellectueel werd geboren tijdens die beroemde affaire, eind 19de eeuw, waarbij een joodse officier door een militaire rechtbank ten onrechte werd veroordeeld wegens spionage en hoogverraad. Nadat Emile Zola zijn “J'Accuse...!' had gepubliceerd, verscheen in de krant l'Aurore een ondersteunende protestbrief die was getekend door niet minder dan 1200 geleerden, onderwijzers en andere universitair geschoolden. Georges Clémenceau refereerde in een redactioneel commentaar in dezelfde krant aan de brief als “het protest van de intellectuelen'. Zo begon de term aan zijn omstreden zegetocht. Het woord werd meteen opgepikt als scheldwoord en onderwerp van spot voor de rechtse publicist Maurice Barrès. Met de geboorte van de geëngageerde intellectueel ontstond ook meteen de anti-intellectuele intellectueel. Het zou nog enkele decennia duren voor ook rechtse schrijvers en denkers in Frankrijk zich openlijk als “intellectueel' gingen afficheren.

De Dreyfus-affaire werd vervolgens maatgevend voor de rol van intellectuelen in Frankrijk; de nadruk kwam te liggen op het optreden als groep, op politieke interventies en op scherpe polarisering tussen links en rechts. Franse schrijvers en denkers hebben de Dreyfus-affaire talloze malen overgedaan, onder het aanroepen van de “universele waarden' die volgens hen de erfenis zijn van de Franse revolutie. In de jaren zestig ondertekende Sartre maar liefst 91 manifesten en petities en in de jaren zeventig 120; volgens Collini een zeldzaam voorbeeld van het “narcisme van protest'.

Het paradigma van de Franse intellectueel - en in mindere mate ook van Oosteuropese “dissidente' schrijvers in de jaren zeventig en tachtig - ontneemt volgens Collini het zicht op de rol die intellectuelen in de meeste andere landen spelen. Zo ook in Engeland. Hij definieert die rol minder hoogdravend dan gebruikelijk is. Hij legt de nadruk niet op politiek engagement, maar op “culturele autoriteit'. De intellectueel is volgens hem iemand die zijn sporen heeft verdiend in een bepaalde kunstvorm of een wetenschapsgebied en die vervolgens toegang heeft tot media, waarmee hij een publiek bereikt dat breder is dan uitsluitend vakgenoten. Kenmerkend is verder dat de intellectueel waarden vertegenwoordigt die niet instrumenteel zijn, maar een doel op zichzelf vormen. Met die brede visie onderscheidt de intellectueel zich van de meer beperkte deskundige.

Zo beschouwd heeft Engeland plotseling helemaal geen gebrek aan intellectuelen - en Nederland trouwens ook niet. Collini werpt zo een ander licht op de ook in Nederland periodiek opklinkende jammerklacht over het uitsterven van de intellectueel, het geringe aanzien van denkers en kunstenaars in dit land, het gebrek aan engagement dan wel straatrumoer bij literaire auteurs, het ontbreken van een zelfbewuste elite, de culturele uitverkoop aan André Hazes en kornuiten, de geringe kennis van de vaderlandse “canon', en wat er verder zoal de ronde doet aan cultuurkritiek. Dit zijn allemaal aanwijzingen dat de “traditie van ontkenning' ook aan Nederland niet onopgemerkt voorbij is gegaan. Misschien staat het er toch niet zo beroerd voor, misschien kijken we vooral door de verkeerde, met clichés beslagen bril.

Wie de actualiteitenrubrieken op de televisie of de radio aanzet, hoort vaak een deskundige praten die ook een intellectueel blijkt te zijn, of andersom. Voor veel columnisten geldt eveneens dat je ze moeilijk anders kunt beschrijven dan als het type dat zo vaak in het verdomhoekje zit: de intellectueel. En columnisten zijn in Nederland zeker niet met uitsterven bedreigd. Welke kritiek je ook op Hirsi Ali kan hebben, ze opereert als een intellectueel, die ideeën over Verlichting, religie en moderniteit een dominante rol laat spelen in haar politieke optreden. In de kringen van de Leefbaren staan intellectuelen in ieder geval nog steeds in aanzien, getuige de diepe eerbied voor de professorale status van wijlen Pim Fortuyn.

Collini's titel Absent Minds slaat dus niet op het onbreken van een intelligentsia in Engeland, want die is er wel degelijk, maar op de “patronen van ontkenning' waar hij veel voorbeelden van geeft. Zijn analyse verklaart ook waarom de intellectueel altijd kwetsbaar is voor zowel het verwijt van overspecialisatie als van amateurisme. De intellectueel beweegt zich permanent tussen het vakgebied waarmee hij zich voor zijn positie heeft “gekwalificeerd' en de brede inzichten, waarmee hij een groter publiek kan vinden. Wie zich te veel richt op vakgenoten, verdwijnt bij de media uit beeld. Maar wie zich uitsluitend richt op een breed publiek, verliest de waardering van zijn collega's. In dat licht bespreekt Collini de carrière van A.J.P. Taylor, in de jaren vijftig de eerste “media-historicus' in Engeland. Bij Taylor bestond het ontkenningspatroon eruit dat hij niet moe werd te herhalen dat de ideeën van intellectuelen er in de geschiedenis buitengewoon weinig toe doen. Volgens Collini investeerde Taylor bovendien te weinig in zijn “cultureel kapitaal' door te sterk te leunen op zijn roem en zijn vermogen te provoceren om het provoceren. Collini's boek laat zich zo ook lezen als handboek voor wie een positie wil veroveren als denker met invloed.

Collini mag dan streng oordelen over vormen van anti-intellectualisme, hij moet evenmin veel hebben van de romantisering en hoge eigendunk die spreekt uit de omschrijvingen van de intellectueel als de onafhankelijke geest bij uitstek, de ultieme buitenstaander, de man of vrouw die permanent oppositie voert tegen de macht. De intellectueel vervult een publieke rol en is dus per definitie onderdeel van de samenleving, geen outsider. De stelling dat de intellectueel permanent oppositie moet voeren, is volgens Collini onlogisch. Want wat rest de intellectueel nog die met zijn kritiek succes heeft en maatschappelijke weerklank vindt? Die kan dan alleen nog in oppositie gaan tegen zijn eigen opvattingen.

Collini ruimt zo heel wat gemeenplaatsen en pavlovreacties op rond het begrip “intellectueel' - een woord dat volgens hem even beladen is als “mannelijke balletdanser' en “alleenstaande moeder'. Achter het stereotype van het pragmatische Engeland, gaat een bruisend intellectueel leven schuil, dat anders is dan in Frankrijk, maar daar niet per se voor onder doet. Dat wil niet zeggen dat Collini ontkent dat de Fransen meer maatschappelijk prestige toekennen aan hun intellectuelen dan de Engelsen, al was het maar omdat de Fransen zelf geloven in het verhaal van Frankrijk als drager van de idealen van de Verlichting.

Hier zit de grootste zwakte van dit monumentale boek. Als het waar is dat culturele stereotypen en clichés in Frankrijk de functie hebben gehad van een self-fulfilling prophecy, dan zou dat ook voor Engeland kunnen gelden. Wat is ontstaan als mythe of ideologische constructie, kan in de loop van de tijd werkelijkheid worden, omdat mensen zich ernaar gaan gedragen. Zo kan het gekoesterde Engelse zelfbeeld van gematigdheid en werkelijkheidszin, de ontwikkeling van het intellectuele leven wel degelijk in de weg hebben gezeten. Dat zou betekenen dat het dominante zelfbeeld toch tot op zekere hoogte klopt. Collini lijkt dat ook te bevestigen, als hij de Engelse achterdocht tegenover abstracties verantwoordelijk stelt voor het uit de weg gaan van “difficulty' in het maatschappelijk debat. Maar dat neemt niet weg dat hij overtuigend en met verve al te gemakkelijke oordelen over “de' Engelsen bestrijdt.

De intellectueel zal volgens hem niet spoedig van het toneel verdwijnen. Het behoort volgens Collini tot het vaste repertoire van het intellectuelendebat dat er altijd een geromantiseerd “vroeger' en “elders' is - afgezet tegen het hier en nu - waar grote denkers en hoge kunst wèl serieus werden genomen. Impliciet klinkt daarin altijd mee: waarin mensen zoals ik wel serieus werden genomen. Uitspraken over intellectuelen worden immers vrijwel zonder uitzondering gedaan door auteurs, die zelf als intellectueel te beschouwen zijn. Zulk simplisme helpt volgens Collini de discussie niet verder.

In een cultuur die steeds meer nadruk legt op maatschappelijke gelijkheid met een dominante rol voor de massamedia, kunnen intellectuelen minder op voorhand rekenen op prestige en de bijbehorende mogelijkheid om gehoord te worden, zo geeft ook Collini volmondig toe. Maar er bestaat nog altijd een duidelijke behoefte aan het beschouwen van maatschappelijke kwesties in het brede, niet-instrumentele perspectief dat de intellectueel kan bieden. Dat is een belangrijke taak, maar ook weer geen reden om de intellectueel op een voetstuk te plaatsen, onderstreept Collini in zijn slothoofdstuk. “Intellectuelen moeten bewijzen dat ze hun naam waard zijn door te laten zien dat ze echt iets te melden hebben dat het waard is om naar geluisterd te worden.'

Typisch Engels, zou je haast zeggen, zo'n nuchtere conclusie.

Stefan Collini: Absent Minds. Intellectuals in Britain. Oxford University Press, 526 blz. 45,59