Pennen voor de goede zaak

De Nederlandse literatuur van de 19de eeuw was dienstbaar aan sociale en politieke kwesties. Zo hielp zij mee aan de dynamiek van een nieuw Nederland.

Een plaats van herinnering: het Cruquiusgemaal in de Haarlemmermeer, schoolplaat uit de 19de eeuw Illustratie uit besproken boek

De 19de eeuw is lang schijndood geweest. maar de laatste 25 jaar is daar verandering in gekomen. Misschien was het wel Marita Mathijsen die de wedergeboorte van de 19de eeuw op gang heeft gebracht, met haar propaganda voor de wonderlijke humorist De Schoolmeester, of haar aanstekelijke pseudo-interviews met 19de-eeuwse dichters. De enige is zij al lang niet meer. Ik wijs maar op voortreffelijke werken als Auke van der Wouds Het lege land. De ruimtelijke orde in Nederland 1798-1848 (1987) en op de catalogus Meesters van de Romantiek. Nederlandse kunstenaars 1800-1850 (2005). De 19de eeuw leeft, bloeit en boeit. We beginnen haar opnieuw te zien zoals zij was: een dynamische tijd, waarin Nederland haar definitieve vorm en identiteit vond.

Eén 20ste-eeuws beeld blijft overeind: de literatuur uit de 19de eeuw kent opmerkelijk weinig hoogtepunten. Natuurlijk hebben we Multatuli, en Bilderdijk (door Multatuli de Hollandse klei ingestampt) is langzaam op weg naar eerherstel. Laat in de eeuw was er Couperus die een imposant romanoeuvre leverde, Gorters schitterende bundel Verzen uit 1890 is nog steeds populair, net als Nicolaas Beets' Camera Obscura (1839). Het werk van Lodewijk van Deyssel na diens romans Een liefde (1887) en De kleine Republiek (1889) tenslotte verdient herwaardering. Maar verder? De Schoolmeester? Aardig. Kneppelhout? Leuk. Da Costa? Een verdienstelijk Bilderdijk-epigoon. Potgieter? Stijf, statig, zeer gedateerd. Van Lennep? Lichtvoetiger en ondeugender dan Potgieter, maar uiterst omstandig. Et cetera. De Nederlandse literatuur tussen 1800 en 1890 stelt weinig voor, zeker als men het vergelijkt met wat in het buitenland is geproduceerd.

Aan dynamiek echter geen gebrek in onze literatuur uit die tijd. In zijn memorabele essay over de 19de-eeuwse literatuur (herdrukt in Inkt) sprak Gerrit Komrij over “een zee van letters'. Men schreef en publiceerde inderdaad alsof zijn leven er vanaf hing, aan vuur ontbrak het geenszins. Wel is sprake van dienstbaar vuur. De 19de-eeuwse Nederlandse auteur heeft de neiging de pen te lenen aan de gemeenschappelijke zaak. Of het nu de “heldendood' van Jan van Speijk betreft, de dwaze Luitenant ter Zee die in 1831 zijn oorlogsbodempje in de Schelde nabij Antwerpen met bemanning en al liever de lucht in joeg dan zich aan de opstandige Belgen over te geven. Of als het gaat om algemeen-maatschappelijke zorgen (Da Costa's gedicht “Wachter, wat is er van den nacht?' uit 1847), nationale identiteit (zie de historische romans van Van Lennep), godsdienst (al die dominee- dichters), sociale kwesties (Cremers felle Fabriekskinderen, 1863). Komrij's “zee van letters' kent hele literaire golven van romans, pamfletten en gelegenheidsgedichten over buiten-literaire onderwerpen. Anders dan schrijvers en dichters in de wederopbouw na de bezetting 1940-1945, lijken de letterkundigen bij “Neêrlands herstel' na de Napoleontische bezetting in 1813 zich te hebben voorgenomen op hun eigen manier aan Neêrlands herstel en voorspoed bij te dragen. Als Gids-criticus J.N. van Hall in 1879 de taak van schrijvers en dichters samenvat, is die omschrijving veelzeggend voor het literaire gemiddelde van de hele 19de eeuw: “Een letterkunde, die de zedelijke veerkracht niet staalt, de intellectueele kracht niet sterkt, niet troost en geen horizon wijst, kan door geen vormen, hoe schoon en welluidend ook, aandacht winnen op een aarde waar men werkt en strijdt [] Wendt u tot het volk, jonge dichters, poogt het tot fakkeldrager te zijn.'

Voor wie de fakkelauteurs in hun eigen 19de-eeuwse context bekijkt, opent zich echter een rijk en divers landschap. Een toegankelijk boek over die context is Plaatsen van herinnering, een verzameling stukken van uiteenlopende auteurs, geredigeerd door de hoogleraren Jan Bank en Marita Mathijsen. Het bezoeken en beschrijven van “plaatsen van herinnering' is een mode van onze tijd en het is geen slechte mode. Je gaat naar een plek, staat stil wat daar gebeurd is en vertelt dat aan de lezer. Geschiedenis aan de hand van tastbaarheden. Zo staat Peter van Zonneveld in dit boek in een mooi stuk stil op het Leidse Rapenburg, waarop 12 januari 1807 een kruitschip ontplofte, met dramatische gevolgen: 151 doden, 2000 gewonden. Minder dramatisch, minder groots en minder feestelijk ook dan altijd voorgesteld blijkt de aankomst (1813) op het Scheveningse strand te zijn verlopen, van de man die later zou worden uitgeroepen tot Koning Willem I. Aldus Jeroen van Zantens bijdrage in Plaatsen van herinnering.

Bijzonder goede stukken ook van Adri Gorissen over de totstandkoming van de “groote kiezelweg' tussen Maastricht en Venlo, over de Slag bij Waterloo en de nog steeds aanhoudende strijd over de beeldvorming daaromtrent door Guido Fonteyn. Jan Drentje beschrijft aan de hand van het Willem de Zwijger-standbeeld op het Plein in Den Haag de grondwetswijziging van 1848, Charles Jeurgens reisde naar het stoomgemaal Cruquius en beschrijft de moeizame drooglegging van de Hollandse binnenzee die “Haarlemmermeer' heette, Jan Bank vertelt over de wording van de Groninger Veenkoloniën, Jan Apers schetst aan de hand van het pompstation Leiduin de aanleg van de Duinwaterleiding naar Amsterdam, Guus Veenendaal beschrijft verwijzend naar het Station Haarlem de aanleg van de eerste spoorweg in Nederland, Tom Verschaffel reisde naar Brussel en herdacht de Belgische Opstand (1830) die zou leiden tot de Tiendaagse Veldtocht.

Plaatsen van herinnering bevat 41 bezoeken aan plaatsen van herinnering, in aangenaam leesbare, breed georiënteerde stukken, door auteurs die weten waar ze het over hebben. Bij de samenvatting van de herinneringsplaatsen in deze bundel heb ik de stukken genoemd die tekenend zijn voor de ongekende bedrijvigheid, die in de 19de eeuw aan de dag is gelegd. Beslist een zeer dynamische eeuw. Er werden met de hand talloze vaarten en kanalen gegraven, wegen werden verhard en er werd een spoorwegnet aangelegd, Nederland industrialiseerde, gigantische moerasontginningen (in het noorden) en droogleggingen (in het westen) vonden plaats. De kaart van Nederland begon pas in de 19de eeuw te lijken op die van tegenwoordig. De zuidoostelijke grens van het tegenwoordige Nederland is een andere zaak. Het Nederlandse militaire optreden tijdens de Tiendaagse Veldtocht stelde op enkele uitzonderingen na niet veel voor, en toen Franse troepen de Belgen te hulp schoten was het snel afgelopen met het wapengekletter. De “Belgische kwestie' had echter verstrekkende, geopolitieke implicaties en zou pas in 1867 definitief worden geregeld. Het Koninkrijk Nederland was door de internationale partijen na Napoleons nederlaag bij Waterloo bedoeld als stabiliserende factor. Het moest een krachtige natie blijven, groot genoeg om iets voor te stellen. De Belgische afscheiding was in dat opzicht een streep door de rekening. Dat verklaart ook dat Koning Willem I zich zijn befaamde weigerachtigheid dacht te kunnen permitteren, alvorens zich knarsetandend neer te leggen bij de losmaking van de Zuidelijke gebiedsdelen.

De ingewikkelde geschiedenis van de manier waarop Luxemburg uit het Koninkrijk der Nederlanden verdween, en het Limburg ten Oosten van de Maas definitief bij ons land werd ingelijfd, wordt uitgebreid beschreven door Joep Leerssen in de imponerende studie De bronnen van het Vaderland. Taal, literatuur en de afbakening van Nederland 1806-1890. Leerssen is hoogleraar Moderne Europese Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn boek keren we weer terug naar de dienstbaarheid der letterkundigen - schrijvers, dichters, filologen. Wat Leerssen met grote overtuigingskracht laat zien is iets wat we ons tegenwoordig nauwelijks meer voor kunnen stellen: dichters, schrijvers en specialisten op het gebied van middeleeuwse handschriften in de (geo-)politieke arena. Kernvraag: was de fabelvos Reynaert een Duitser, een Fransman, een Belg of een Nederlander? De scheiding tussen Romaanse en Germaanse talen was niet moeilijk te maken, maar wie had de oudste Reynaert-versie? Was er anderzijds wel een wezenlijke scheiding tussen het Nederlands en het Duits, of om het nog ingewikkelder te maken: langzaam ontstond een onderscheid tussen “Diets' en “Duits', woorden die oorspronkelijk niet méér verschilden dan “rieken' en “ruiken'. Hier en daar lijkt de langdurige Reynaert-controverse op een detectiveroman getiteld De naam van de Vos, spannende lectuur in Leerssens weergave. Tal van beroemde tijdgenoten uit de betrokken taalgebieden namen deel aan het onderzoek, vaak met zeer nationalistische motieven, de grote taalwetenschapper Jacob Grimm niet uitgezonderd. En de fakkelschrijvers en -dichters dichtten en schreven vurig mee. Er was een gemeenschappelijke zaak, om met alle zedelijke veerkracht, alle intellectuele kracht die men in zich voelde te behartigen: aan de horizon gloorde een nationale identiteit.

Fransen, Duitsers, Belgen, Nederlanders Maar hoe zit “t eigenlijk met de Friezen? Hadden die geen behoefte aan een eigen identiteit in een periode waarin tal van naties hun grenzen probeerden vast te leggen? Im Norden nichts Neues wat de grenzen betreft, de Friezen maakten al eeuwen deel uit van de Verenigde Nederlanden. Maar de gedachte een eigen volk te zijn liet hen niet los, al was er nauwelijks een echte genetische Fries in Friesland te vinden. In termen van bloedbanden waren de bewoners der streken tussen Lauwerszee, Zuiderzee en Noordzee immers een “mengtype': Angelenbloed en Saksenbloed. Wat je echter ook bent, je blijft haken naar “wortels'. Zeker in een eeuw waarin de slogan De taal is gansch het Volk opgeld doet (een eigen taal hadden de Friezen immers) en de natiegrenzen rekkelijk lijken.

Als geschenk uit de hemel kwam daar ineens het Oera Linda-boek boven water, een vroeg-middeleeuwse tekst die de Friezen als Oer-volk afschilderde (ze zouden Atlantis hebben bewoond). Ene Ottema geloofde wat er in stond, hij editeerde de tekst en gaf deze in 1871 uit. Al in de 19de eeuw werd het Oera Linda-boek als mystificatie ontmaskerd, maar ook tegenwoordig vindt men nog dwazen (Van Friese New Age-adepten tot believers in Australie aan toe) die geloven dat bij voorbeeld ´Neef Theunis´ in de tekst voor ´Neptunus´ staat. Historicus Goffe Jensma toonde in een recent verschenen proefschrift aan dat de de Oera Linda-mystificatie het werk is van een taalkundige (Eelco Verwijs) en vooral van een letterkundige (François Haverschmidt), en doet dat nog eens dunnetjes over in zijn inleiding van de nu door hem bezorgde editie van de tekst. Dat het Oera Linda-boek zo'n opgang maakte was helemaal de bedoeling niet, zegt Jensma. Haverschmidt was geen auteur die een fakkel wilde dragen, ook al was hij dominee. Onder het pseudoniem Piet Paaltjens had hij immers de onmaatschappelijke, inktzwarte dichtbundel Snikken en grimlachjes (1867) gepubliceerd. Hij bedoelde een bijdrage aan een toen actuele, theologische discussie te leveren, maar de zaak liep uit de hand. De Oera Linda-mystificatie was doorzichtig genoeg, maar zo goed geschreven dat hij desondanks meesleepte. Het leek Friesland te bieden waar het net als Nederland, Duitsland en België zo enorm naar haakte: identiteit.

De schrijver, dichter of letterkundige als fakkeldrager voor “het gansche volk'. Zonder deze invalshoek valt de literaire meerderheid in de 19de eeuw nauwelijks te begrijpen. Voor het puur literaire, 21ste eeuwse genot is het beter toeven bij de weinige schrijvers en dichters die zich loszingen van de context van hun eigen tijd. Multatuli, Bilderdijk, en - vooruit - misschien ook Haverschmidt en De Schoolmeester. Als het om de geschiedenis van ons land in de 19de eeuw gaat, zien we een land en volk dat met een enorme inzet bouwt aan zijn toekomst. Voorgegaan en bijgelicht door dichtende en schrijvende fakkeldragers.

Joep Leerssen: De bronnen van het Vaderland. Taal, literatuur en de afbakening van Nederland 1806-1890. Vantilt, 222 blz. 22,50

Goffe Jensma (ed.): Het Oera Linda-boek. Facsmile - Transcriptie - Vertaling. Verloren, 447 blz. 28,-

Goffe Jensma (ed.): Het Oera Linda-boek. Facsmile - Transcriptie - Vertaling. Verloren, 447 blz. € 28,-

    • Atte Jongstra