Kafka

Gelukkig is het allemaal goed afgelopen, maar ik schrok toch wel even toen ik merkte dat Franz Kafka ooit de theorieën van de Oostenrijkse filosoof-schrijver Rudolf Steiner enigszins serieus had genomen. Steiner! Saul Bellow was ook al zo merkwaardig van hem onder de indruk, zoals uit zijn roman Humbold's Gift blijkt.

Steiner was de grondlegger van de antroposofie, “een weg“, zoals hij het zelf formuleerde, “tot inzicht die het geestelijke in de mens met het geestelijke in de kosmos wil verbinden.“ Zonder reïncarnatie, karma en aanverwante zaken ging dat niet. “Wat zich in afzonderlijke personen zo aandient“, schreef Steiner, “wordt pas werkelijk inzichtelijk en plaatst zich pas dan in een begrijpelijke gedaante voor de ziel, als men er acht op slaat hoe tegen de achtergrond van een huidig aardeleven de vroegere aardelevens opdoemen.“

Dat is geen taal die bij Kafka hoort. Toch heeft hij in zijn religieuze ontwikkeling korte tijd een fascinatie gehad voor Steiner. Het paste min of meer bij de tijdgeest, stelt de Kafka-biograaf Ernst Pawel. Het traditionele geloof en de politiek hadden niets te bieden, dus dan “maar wat scharrelen met het bovennatuurlijke“.

Dat kon, in het geval van Kafka, nooit goed aflopen voor het bovennatuurlijke. Nadat hij een séance met tafelklopperij had bijgewoond, had Kafka al eens droogjes gezegd: “Het feit dat de zon 's ochtends opkomt, is een wonder. Het feit dat de tafel beweegt wanneer er maar lang genoeg mee gesold wordt, is geen wonder.“

De ontknoping is de moeite waard om te signaleren. In 1911 brengt Kafka, 28 jaar oud, een bezoek aan Steiner in diens hotel in Praag, nadat hij een lezing van hem heeft bijgewoond. In zijn dagboek beschrijft Kafka deze ontmoeting met die bedwongen spot die zo kenmerkend voor hem is. Steiner draagt een “stoffige en zelfs vuile jas“ en “hij begint met een paar onverschillige zinnen: U bent toch dr. Kafka? Hebt u zich al lang met theosofie beziggehouden?“

Dan barst Kafka los. Hij geeft een indringende beschrijving van de trance waarin hij soms schreef: “En hier heb ik ongetwijfeld toestanden beleefd (niet veel) die volgens mij zeer dicht bij de door u, Herr Doktor, beschreven toestanden van helderziendheid staan, waarbij ik geheel en al in elk idee leefde, maar elk idee ook vulde en waarin ik niet alleen voelde dat ik mijn eigen grenzen had bereikt, maar zelfs de grenzen van het menselijke.“

Hij vertelt Steiner hoe zwaar het hem valt zijn beroep met de literatuur te combineren. En hij vraagt of het verstandig is de theosofie er nog “als derde' aan toe te voegen. “Zal ik, een nu al zo ongelukkig mens, die drie tot een eind kunnen brengen?“

Kafka laat het antwoord van Steiner weg. Het zal niet erg bevredigend zijn geweest. Kafka sluit de notitie als volgt af: “Hij (Steiner) knikte zo nu en dan, wat hij schijnbaar voor een hulpmiddel tot een grote concentratie houdt. In het begin had hij last van een lichte verkoudheid, zijn neus liep, voortdurend werkte hij met zijn zakdoek, tot diep binnen in zijn neus, een vinger op ieder neusgat.“

Daarna heeft Kafka nooit meer één woord aan Steiner gewijd.

    • Frits Abrahams