Iran en de bom

Enkele lezers hebben vorige week bezwaren aangevoerd tegen mijn beschouwing in Boeken van 28 april, naar aanleiding van John Lewis Gaddis, The Cold War en Michael Mandelbaum, The Case for Goliath, over de mogelijke gevaren van een Iraanse kernbom en over de verschillen met de Sovjetdreiging tijdens de Koude Oorlog.

Arie Veltman schrijft dat het initiatief van de Sovjet-Unie om in 1962 nucleaire systemen op Cuba te stationeren `niet meer was dan een reactie van Chroesjtsjov op het plaatsen van nucleaire raketten in buurland Turkije door de Amerikanen`. Deze bewering is onjuist. Uit de biografie van William Taubman (besproken in Boeken, 6 juni 2003) blijkt dat Chroesjtsjov met dit initiatief de intentie had de nucleaire krachtsverhoudingen in het voordeel van de Sovjet-Unie te wijzigen en vervolgens de Amerikaanse regering tot politieke concessies te dwingen, onder meer in Berlijn.

C.D. Andriesse schrijft dat een Iraans kernwapen in de verhouding tot Israël een stabiliserende werking zal hebben omdat het slechts dient om af te schrikken: `Het is een hersenschim dat een land () als Iran () atoombommen aan () terroristen ter beschikking zou stellen`. Maar de regering van Iran onderhoudt nauwe banden met terroristische groeperingen als Hamas, Hezbollah en Islamitische Jihad, die gespecialiseerd zijn in zelfmoordaanslagen. President Ahmadinejad heeft verklaard dat Israël van de kaart moet worden geveegd. Die uitspraak, aldus Maaike Warnaar en Paul Aarts, is vooral bedoeld voor binnenlands gebruik en we moeten onze hoop stellen op de gematigde krachten binnen het Iraanse regime. Maar wat geldt in die kringen als `gematigd`? Tijdens de laatste presidentsverkiezingen nam Ahmadinejad het op tegen de `gematigde` Rafsanjani, de geestelijke leider die heeft verkondigd dat het probleem Israël met een enkel kernwapen kan worden opgelost. In dit regime vliegen de duiven en haviken in de richting van een destructiedrang die in de eerste plaats tegen Israël is gericht.

Afschrikking werkt alleen als alle partijen ervan overtuigd zijn dat nucleaire vernietiging niets kan opleveren. Voor terroristen is het perspectief van deze destructie juist aantrekkelijk. De uitspraken van de Iraanse leiders rechtvaardigen de vraag of zij ook zelf behept zijn met de mentaliteit van de terroristische groeperingen waarvan vertegenwoordigers in Teheran worden ontvangen om deel te nemen aan conferenties over de gewapende strijd tegen de joodse staat en zijn westerse handlangers. Moeten de regeringen van Israël en Amerika er dan maar op vertrouwen dat het allemaal wel los zal lopen als het Iraanse regime kernwapens in handen krijgt?

    • Ronald Havenaar