In den beginne was Artis een tuin

Donna C. Mehos: Science and Culture for Members Only. The Amsterdam Zoo Artis in the Nineteenth Century. Amsterdam University Press, 208 blz. 39,50

De Amsterdamse dierentuin Artis is de laatste jaren bezig met een wederopstanding. De kleine dierentuin, ingeklemd tussen bebouwing en zonder parkeervoorziening, leed onder dalende bezoekersaantallen. Na protesten gunde de gemeente Artis de bouwgrond om uit te breiden.

Een minder opvallende verandering is het vertrek van de universitaire zoölogen. Artis is niet langer die unieke mengeling van tuin en wetenschap die het ruim een eeuw was. Bijna alle gebouwen waren in gebruik bij de faculteit biologie. Studenten volgden colleges in de muskusgeur van de wisenten. In het gebouw van het aquarium zetelde de hoogleraar-directeur van het Zoölogisch Museum en in Studio Plantage stond de collectie opgezette dieren. Het vertrek van de biologen is het gevolg van de ontvlechting van universiteit en gemeente. De huidige Universiteit van Amsterdam, een rijksinstelling, was tot 1961 de Gemeente Universiteit, in beheer bij de gemeente. Ook Artis was een gemeentelijke instelling, maar moet nu op eigen benen staan.

Science and Culture for Members Only , een handelsuitgave van het proefschrift uit 1997 van de Amerikaanse wetenschapshistorica Donna C. Mehos, gaat over de eerste vijftig jaar van Artis waarin de tuin door particulieren wordt gesticht, en door ingrijpen van de gemeente wordt omgesmeed tot een wetenschappelijke instelling. Mehos benadrukt dat de oprichting in 1838 een opmerkelijke gebeurtenis is, ver vooruitlopend op culturele instellingen als het Rijksmuseum en het Paleis voor Volksvlijt. De dierentuin, een van de eerste in Europa, belichaamde het zelfbewustzijn van de gegoede burgerij in een jonge natie die grote koloniën bezat. Lezingen, demonstraties en concerten vormden het bindend element voor het welgestelde publiek, dat de tuin vooral frequenteerde om te zien en gezien te worden tegen een achtergrond van exotische dieren.

De oprichter Gerardus F. Westerman, tevens de eerste directeur, was boekdrukker en amateur-ornitholoog, maar ontwikkelde zich tot bekwaam organisator en wetenschappelijke autoriteit. Ondanks de gemeentelijke weigeringen van bouwvergunningen, groeide Artis in de eerste decennia uit tot de rijkste dierentuin van Europa.

Ruimtegebrek bleef een zwakke plek. Artis wilde aquaria bouwen, maar de gemeente gaf geen grond. In die tijd kreeg de gemeente van het rijk toestemming voor het stichten van een universiteit. In 1877 kwam het tot een compromis: Artis kreeg zijn aquarium, maar moest toestaan dat studenten en hoogleraren vrij toegang hadden - voor de opleiding van medici en biologen.

Zo ontstond een wonderlijk conglomeraat van directie, dierenoppassers, genootschappen, onderzoekers en studenten met een wetenschappelijke slagvaardigheid die het stijve Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie in Leiden overtrof.