Geen vrijheid zonder gelijkheid

John Rawls was een van de grootste filosofen van de twintigste eeuw. Zijn “realistische utopie' voor een rechtvaardige samenleving, is eindelijk vertaald. Er valt veel op het boek af te dingen, en veel in te bewonderen.

Filosoof John Rawls Foto Jane Reed Reed, Jane

Met A Theory of Justice, nu eindelijk in het Nederlands vertaald, vestigde de Amerikaanse filosoof John Rawls in 1971 in één klap zijn naam als een van de grootste politieke filosofen van de 20ste eeuw. Rawls (1921-2002) was boven alles een liberaal. Tolerantie en de gewetensvrijheid van het individu zijn, net als bij de klassieke liberalen, bij Rawls de eerste zorg. Maar van het innige huwelijk tussen klassiek liberalisme en de ongebreidelde markt moest hij weinig hebben. Kapitalistische samenlevingen slagen er bij lange na niet in vrijheidsrechten gelijk onder de burgers te verdelen. Rawls betoogde dat vrijheid en gelijkheid wel degelijk verenigbaar zijn. Hij ontvouwde zo de morele grondslagen van de verzorgingsstaat.

Hoe moeten politieke, economische en sociale instituties eruit zien, zodat iedereen - jong en oud, zwart en wit, rijk en arm, ziek en gezond - gelijke kansen krijgt het leven naar eigen inzicht vorm te geven? Om die vraag te beantwoorden bedacht Rawls een beroemd gedachte-experiment: de “sluier van onwetendheid' (zie kader). Net als zijn grote inspirator Kant gaat Rawls uit van de individuele autonomie. Mensen vormen niet alleen zelfstandig opvattingen over een goed leven, maar kunnen ook nadenken over rechtvaardige beginselen die de onderlinge samenwerking moeten regelen. Met Rawls' eerste principe, gelijke vrijheidsrechten voor iedereen, heeft hij weinig liberalen voor het hoofd gestoten. Maar zijn “verschilbeginsel' waarmee hij sociaal-economische rechtvaardigheid wil realiseren, is veel controversiëler.

Rawls is er niet op uit alle inkomensverschillen glad te strijken. Soms kan de belofte van een hoger salaris werknemers prikkelen harder te werken of drijft een hogere winstverwachting een bedrijf tot innovatie. Hiermee wordt ook de totale economische opbrengst in een samenleving vergroot. Maar die extra opbrengst moet bij Rawls wel via belastingen en sociale voorzieningen ten gunste komen van de sociale onderlaag. Verschillen in inkomen, vermogen en macht zijn alleen dan gerechtvaardigd als de positie van de minst bedeelden hierdoor verbetert.

Rawls' abstracte redeneertrant is een bron van veel misverstanden. Zo betoogde Frits Bolkestein in een lezing voor de liberale Spinoza-stichting dat Rawls ideeën getuigen van “intellectuele Spielerei.' Goede wetgeving, aldus Bolkestein, gaat niet uit van “ficties en idealistische mensbeelden.' Bolkestein begrijpt kennelijk niet dat het Rawls in eerste instantie niet om wetgeving te doen is. De sluier van onwetendheid van Rawls is bedoeld om een kritische standaard te ontwikkelen waarmee de rechtvaardigheid van bestaande instituties en politieke beslissingen kan worden gemeten. Zodra politici en bestuurders specifieke wetten opstellen en concrete maatregelen nemen, gaat de sluier stap voor stap omhoog en kan en moet kennis van de concrete stand van zaken wel degelijk een rol spelen.

Blinde vlek

De verschijning van Een theorie van rechtvaardigheid in 1971 was niet alleen wegens de systematische onderbouwing van de verzorgingsstaat een schot in de roos. Met de protesten tegen de oorlog in Vietnam en de burgerrechtenbeweging was in de Amerikaanse samenleving een grote behoefte ontstaan aan een krachtige morele visie op de politiek. Rawls, een tegenstander van de oorlog in Vietnam, verdedigt in zijn boek uitgebreid het recht op burgerlijke ongehoorzaamheid en de gewetensvrijheid van pacifisten. Rawls' brede en ambitieuze aanpak werd ook door veel politiek filosofen instemmend onthaald. De sterk verwetenschappelijkte Anglo-Amerikaanse politieke filosofie uit die tijd had zich lange tijd beperkt tot precieze analyses van begrippen. Dat Rawls weer een grote theorie durfde te ontwerpen, gaf de politieke filosofie een broodnodige impuls.

Zijn egalitaire voelsprieten ten spijt, ook Rawls' rechtvaardigheidsgevoel kent een blinde vlek. Van de tweede feministische golf van de jaren zestig is bij Rawls nauwelijks iets terug te zien. Rawls karakteriseert het gezin als een natuurlijke vrijplaats van liefde en morele opvoeding. Dat het traditionele kerngezin de vrije en gelijke status van vrouwen eerder belemmerde dan stimuleerde, zag hij lange tijd over het hoofd. Pas in veel latere publicaties, onder meer in Justice as Fairness (2001), gaat hij uitgebreider in op het tegengaan van ongelijkheden tussen mannen en vrouwen.

Rawls heeft zijn rechtvaardigheidstheorie wel eens een “realistische utopie' genoemd. Idealen moeten volgens hem stroken met de menselijke natuur, al blijven ze ook dan lastig te verwezenlijken. Pas als daaraan wordt voldaan, is een samenleving niet alleen rechtvaardig maar ook stabiel. Rawls denkt dat immorele drijfveren geen intrinsiek onderdeel uitmaken van het menselijke samenleven. Wie leeft met rechtvaardige instituties, heeft volgens hem geen reden meer om afgunstig of wraakzuchtig te zijn. Erg realistisch is die gedachte niet. In werkelijkheid laten instituties zich ook niet zo makkelijk ombouwen naar Rawls' morele blauwdruk. Historische machtsverhoudingen en de dominante cultuur bepalen altijd hoe de politiek, de economie en het recht vorm krijgen. Maatschappelijke instituties zullen er dan ook nooit volledig in slagen burgers op gelijke wijze te behandelen. Maar met Rawls' egalitaristische beginselen in het achterhoofd, hebben burgers wel een maatstaf in handen die verzet tegen uitsluiting rechtvaardigt.

De vraag blijft of de burger bij Rawls ook emotioneel gezien goed is uitgerust om de politieke arena te betreden. Het Rawlsiaanse mensbeeld is er eerder een van de noeste, conformistische werker dan van actief, democratisch burgerschap. In de visie van Rawls denken mensen jaren vooruit, ontwerpen ze een rationeel levensplan en proberen ze risico's zoveel mogelijk te vermijden. Verspilling van talent is volgens Rawls zelfs onnatuurlijk. De excentriekste figuur die in Rawls' boek opduikt is dan ook een briljante wiskundige die zijn dagen vult met bladeren tellen in het park. Rawls blijft zich over hem verbazen.

In werkelijkheid zit de mens complexer in elkaar dan Rawls wil erkennen. Dat neemt niet weg dat Rawls zijn verlangen naar morele integriteit heeft vertaald in een imposant pleidooi voor de verzorgingsstaat. Het heeft een helder boek opgeleverd - vrij van jargon - dat door Frank Bestebeurtje fraai en nauwkeurig in het Nederlands is vertaald. Wel is de lezer gewaarschuwd dat de 600 bladzijden door Rawls' droge betoogtrant niet altijd even enerverend zijn.

Overmoed

Sinds het verschijnen van Een theorie van rechtvaardigheid kan het liberalisme bogen op een krachtig egalitair geweten. Rawls is een maatschappijcriticus waar - zeker in neoliberale tijden - lang niet vaak genoeg naar wordt geluisterd. Zijn argumenten brengen de relevantie van sociaal-economische herverdeling en hervormingen van maatschappelijke instituties sterk over het voetlicht te brengen. Tegelijk brengt zijn boek haarfijn in het vizier hoe een drang naar systematiek, abstractie en consensus politieke tegenstellingen onder het tapijt kan vegen. Dat Rawls de patriarchale vooroordelen van het liberalisme zonder enige schroom overnam, hoeft daarom ook niet echt te verbazen. Geen enkel rechtvaardigheidsgevoel volstaat om alle vormen van uitsluiting en ongelijkheid tot in de finesses te beschrijven. Het getuigt dan ook van een gevaarlijk soort overmoed om, zoals Rawls deed, erop te vertrouwen dat een mens in zijn eentje alle relevante gezichtspunten in een rechtvaardigheidstheorie kan onderbrengen.

In zijn lange carrière mengde Rawls zich nauwelijks in het maatschappelijke debat. Hij vond dat filosofen in de publieke arena doorgaans verkeerd werden begrepen. Toch maakte hij in 1995 een uitzondering. Rawls was als infanterist in het Amerikaanse bezettingsleger in Japan getuige geweest van de verwoestingen die de atoombom had aangericht in Hiroshima. Vijftig jaar later publiceerde hij in het linkse tijdschrift Dissent een opiniestuk waarin hij het Amerikaanse bombardement op Hiroshima krachtig veroordeelde. In zijn filosofische werk houdt Rawls als het om concrete politiek gaat zich meestal aan de oppervlakte - soms tot op het ergerlijke af. Ook als hij de rechten van dienstweigeraars verdedigt, noemt hij nooit met naam en toenaam de Verenigde Staten en Vietnam. Rawls besefte maar al te goed dat niet elke lezer zich moeiteloos Een theorie van rechtvaardigheid eigen maakt. Vandaar dat hij in zijn inleiding een leeswijzer opgenomen heeft die de lezer direct naar de belangrijkste paragrafen leidt. Het is al vaker gezegd: Rawls is niet alleen een van de grootste politieke filosofen uit de 20ste eeuw, maar hij was ook een bijzonder aardige man.

John Rawls: Een theorie van rechtvaardigheid. Vertaald uit het Engels door Frank Bestebreurtje en ingeleid door Percy B. Lehning. Lemniscaat, 664 blz. 49,95

    • Irena Rosenthal