Ga heen en draag de vlag

Janos Starker maakte naam als een van de grootste cellisten van de vorige eeuw, maar vindt lesgeven belangrijker dan spelen. Morgenmiddag houdt hij in Tilburg de Nexus-lezing.

Janos Starker foto Leo van Velzen Amsterdam, 10/05/06. Janos Starker, cellist. Foto Leo van Velzen Nrc Hb.

Voor zijn privézwembad, thuis in het Amerikaanse Bloomington, Indiana, kreeg cellist Janos Starker een plaquette cadeau van een vriend: “Zwembad gebouwd door Kodály'. Bedoeld is componist Zoltán Kodály, wiens Sonate voor cello solo (1915) wereldberoemd werd in de uitvoering door Starker. Hij maakte er zes verschillende opnames van en sprak er meermaals over met de componist zelf (“Moet deze gis geen g zijn?“).

Zijn eerste kennismaking met het werk, in 1939, memoreert Starker in zijn opvallend onijdele autobiografie The World of Music According to Starker: “Na de uitvoering kwam Kodály naar me toe. “Eerste deel: te snel. Tweede deel: ok. Derde deel: maak geen te groot onderscheid tussen de variaties. Tot ziens.'“

Janos Starker (Boedapest, 1924) vertegenwoordigt driekwart eeuw musiceren op internationaal topniveau. Zijn zwembad heeft hem fit gehouden. Wie hem in zijn Amsterdamse hotel ziet rondlopen, gelooft bijna niet dat dezelfde man leefde van handel in nylons en sigaretten, een nazi-concentratiekamp doorstond en muzikaal wortelt in een wereld die niet meer bestaat. Eerste gedachte: hé, hij is in kleur!

Starker is in Nederland op uitnodiging van het Nexus Instituut. Na sprekers als Francis Fukuyama, George Steiner en Edward Saïd wordt de 13de Nexus-lezing - altijd over een cultuurfilosofisch thema - zaterdagmiddag aan de universiteit van Tilburg door Starker gewijd aan de vraag “Wat is een meesterwerk?' “Naar het antwoord ben ik mijn hele leven op zoek geweest“, glimlacht hij. “Maar verder dan subjectieve waarnemingen komt niemand. Natuurlijk breng ik Kodály ter sprake. En ja, ook Bach. Wie de groten zijn in de muziek, is algemeen bekend. Mozart, Bach, Beethoven, Brahms - ik zal ze niet vergelijken. Appels en bananen zijn allebei gezond en lekker. Maar voor de muziek is Bach hors concours. Hij speelt het spel niet mee, hij schreef de regels.“

Starker woont sinds ruim een halve eeuw in de Verenigde Staten, maar in zijn gegroefde stem klinkt nog steeds een licht Hongaars accent door. “Mijn kinderen zijn opgegroeid in Amerika“, zegt hij. “Ik heb hun jeugd niet met nachtmerrieachtige verhaaltjes over de mijne willen verduisteren. Gelukkig is degene die in zijn leven niet met dat soort turbulentie wordt geconfronteerd - al is de wereld natuurlijk niets veranderd. Als overlever - mijn twee broers zijn in de oorlog vermoord - voel ik het als mijn verantwoordelijkheid iets positiefs bij te dragen. Op mijn vlak: de muziek. Die eist volledige inzet. Mijn leerlingen heb ik altijd verboden kostbare studietijd te verbeuzelen door naar demonstraties te gaan.“

Starkers autobiografie, gepubliceerd in 2004, is onalledaags door de toon en de opzet. Herinneringen worden afgewisseld met korte prozaverhalen. Intrigerende, wonderlijke verhalen zijn het, geschreven in “de 260 dagen die ik jaarlijks als solist rond de wereld vloog in het pre-televisietijdperk, met alle tijd om na te denken“.

Het eerste hoofdstuk, waarin Starker zijn leven in vogelvlucht beschouwt vanuit het voortdurend tot verzuring neigende perspectief van zijn maag, is eerder gezocht dan vermakelijk. Maar een novelle als The Wrath of Grapes - over de fatale eenzaamheid van een rondreizend solist - is behalve vlot geschreven ook verrassend, scherp en veelzeggend.

Tussen de verhalen in is The World of Music According to Starker een verslag van een jeugd in Midden-Europa, overleven in de Tweede Wereldoorlog, armoede, zwerven door Europa en - later - wonen en werken in Amerika. In 1949 haalde dirigent Antal Doráti Starker naar de Verenigde Staten voor een baan in het symfonieorkest van Dallas, maar hij werd al snel door dirigent Fritz Reiner geronseld voor de post van eerste cellist aan de Metropolitan Opera in New York. Later volgde Starker Reiner naar het Chicago Symphony Orchestra. Starker blkeef in Chicago totdat hij in 1958 aantrad als docent aan de Indiana University in Bloomington - met 1700 studenten de op één na grootste muziekopleiding ter wereld. Het lesgeven combineerde hij met solo-engagementen overal ter wereld.

Studiemethode

Starker is selectief geworden in zijn bezigheden. Voor de Nexus-lezing en een masterclass in het Concertgebouw heeft hij zo'n acht uur in het vliegtuig gezeten. Hij memoreert het zelf, gevraagd naar de vermaarde Starker-studiemethode: niet alleen mét cello repeteren, maar ook in het hoofd. “Ik heb mezelf vandaag vurig gehaat om die methode“, lacht hij. “In het vliegtuig heeft acht uur lang Bachs Tweede cellosuite in d-klein door mijn hoofd gezongen. Noot voor noot, frase voor frase. Misschien ben ik tussendoor nog even ingedommeld. Maar het was láng.“

Maar van vermoeidheid heeft Starker geen last op zijn masterclass voor drie jonge Nederlandse cellisten en hun pianobegeleiders. Zelf spreekt hij liever van een “sessie', omdat hij huivert van het beeld van een oude meester die zijn wil oplegt aan een jongere meester. “Deze middag is bij voorbaat al bijzonder en zelfs een beetje emotioneel voor me“, zegt Starker tegen Kleine Zaal, tot op de laatste stoel gevuld met een donderdagmiddagpubliek van middelbare belangstellenden en cellostudenten. “Het is bijna precies vijftig jaar geleden dat ik hier mijn Amsterdamse debuut maakte. Sindsdien is er het een en ander gebeurd.“ Korte grinnik. De eerste leerling komt op.

Als cellist gold Janos Starker zelf als de man zonder fouten, de solist die speelde alsof iemand een grammofoonplaat had opgezet. Als docent is zijn reputatie vergelijkbaar. Mopje van Starkers studenten: drie cellisten staan aan de hemelpoort. Petrus informeert naar hun leermeesters. De leerlingen van Rostropovitsj en Leonard Rose moeten naar de hel. De leerling van Starker mag naar de hemel. Zijn leven is al een hel geweest.

Maar hier, voor de Amsterdamse studenten, lijkt Starker milder geworden, steeds welwillend geneigd tot kwinkslagen. “Ouderdom zorgt ervoor dat in mijn reacties geamuseerdheid het nu meestal wint van ergernis of ongeduld“, legt hij uit.

Starker is zelf sinds 2004 officieus gepensioneerd als uitvoerend musicus, maar schrikt er bij zijn instructies niet voor terug zijn verbale aanwijzingen zelf voor te spelen. En dat is broodnodig, want Starkers masterclass is meer een technische werksessie dan de gebruikelijke opeenvolging van tips en, zoals Starker fijntjes memoreert, véél anekdotes over “bevriende componisten'. “Ik begin altijd bij iemands individuele fysiek“, zegt hij tegen de boomlange Joris van den Berg. “In uw geval: de cello is te klein. Ooit gedacht aan een groter instrument, een fors telefoonboek of een Tortelier-pin? Want zo krijgt u nekklachten, dat is zeker.“

Van den Berg speelt Beethovens Sonate in c-groot. Starker knikt goedkeurend. “Ik feliciteer u met uw hoog ontwikkeld niveau van cellospelen. Maar heeft u ooit gehoord van tegendruk? Halverwege de streek moet u met de linkerknie de cello iets vooruit duwen. Anders wordt de toon te klein. De rechterbovenarm omhoog, de onderarm roteren. Hoor je het verschil?“

Van den Berg knikt, doet na, verbetert. Starker: “Oh, nog één ding: niet tegen de muziek in bewegen. Dat doet negentig procent van de musici en het is mijn stokpaardje er tegen te ageren. Hoofd naar voren op de sterke maatdelen, naar achter op de zwakke. Het moet geen knikkebollen worden, maar met de verkeerde beweging, verstoor je de startsnelheid van de streek.“

Grootvader

Aan de University of Bloomington, Indiana noemen ze Starker de grootvader van de cello-afdeling. “Ik heb als solerend cellist duizenden concerten gegeven, maar beschouw mezelf vooral als leraar“, zegt hij in zijn hotelkamer.

Met zijn opvallend normaal geproportioneerde handen steekt hij nog een sigaret op en pakt de fles whisky van zijn schrijftafel, waarop een bundel kruiswoordraadsels in extra grote letters ligt opengeslagen. “Het punt is: ook na een staande ovatie gaat iedereen uiteindelijk weer zitten. Lesgeven verbindt de ene generatie met de volgende. Het veraangenaamt mijn leven de vruchten te zien van de zaden die ik als leraar heb geplant.“

Zo'n duizend leerlingen begeleidde Starker de afgelopen vijftig jaar één op één, schat hij. “Maar er zijn tienduizenden die wel eens een sessie volgden en zich mijn leerling noemen.“ Hij lacht er smakelijk om. “Ken je die van die orgelman die onder Mozarts raam speelde en - nadat de meester eens het raam het geopend - een bordje met “leerling van Mozart' op zijn instrument hing?“

Maar over de lessen zelf is Starker ernstig. Een vraag naar de familieachtige open leersfeer die zijn boek schetst van het muziekonderwijs aan Bloomington, pareert hij met een frons. “Het was een tijdlang ideaal“, zegt hij. “Met zo'n twaalf gelijkgestemde, overigens veelal Hongaarse docenten van de in totaal honderdveertigkoppige staf voerden we een open-deurbeleid. Alle leerlingen mochten bij alle lessen aanwezig zijn, want leren is nu juist níet een kwestie van je opsluiten in een kamertje. Bij ons hoorden ze steeds dezelfde beginselen in steeds andere woorden. Maar die leraren zijn nu bijna allen dood. Wat rest is gewoon een goede universteit.“

Starker zelf studeerde in Boedapest, toen de Franz Liszt Academie een toonaangevend muzikaal centrum was. In The World According to Starker noemt hij zich meermaals een discipel van Leo Weiner (1885-1960), die daar als leraar kamermuziek geestelijk vader werd van generaties toonaangevende Hongaarse musici als George Szell, Georg Solti, Fritz Reiner, Antal Dorati, Eugene Ormandy, György Sebok en Klara Belkin.

In Starkers boek blijkt uit alles dat hij de discipelen van Weiner nog steeds als familie beschouwt en Weiners beginselen als muzikale leidraad. Maar het valt niet mee die principes uit Starkers geschreven of gesproken woorden te abstraheren. “Ze zijn ook niet echt in woorden te vatten“, reageert hij aarzelend. “Weiner heeft mij leren horen. Ik heb mijn leerlingen leren horen. Eerst begrijpen, dan reproduceren, dan zelf waarnemen. Als het goed is, maak je je als leraar na een paar jaar overbodig. Dan weet de leerling al wat je gaat zeggen als je je keel schraapt. “Ga heen en carry the flag', zeg ik dan. Weiner-discipelen zitten nu overal.“

Het proces van “leren horen' doet denken aan een van de novelles uit Starkers autobiografie, Mozarts Meter. Een musicus strandt met autopech bij een argwanende oude zonderling, die zijn leven in dienst heeft gesteld van het meten van muziek. Duur, intonatie, interpretatie - zelfs alles wat wij afdoen als smaak kan nauwkeurig worden gemeten door Herr Professor Trumpfls zelf gefabriekte wondermachines.

Starkers ogen lichten op. “Professor Trumpfl is op Weiner gebaseerd. De essentie is dat ook het kleinste er toe doet. Dat kun je betrekken op alle muzikale parameters. Als je de fijnzinnigheid van iemands spel wilt beoordelen, moet je hem snelle nootjes zacht laten spelen. Maar het geldt ook voor een eeuwig discussiethema als “het juiste tempo'. Te snel is als je het niet meer goed kunt horen. Te langzaam is saai.“

Muziek is, kortom, dat wat niet in de noten staat. “Denk maar aan de punt, genoteerd boven een noot. Niemand die precies weet waar die punt nu voor staat. De betekenis is bij elke componist en in elke situatie weer anders. Voor mij leidde dat tot het besef dat je nooit een interpretatie van een muziekstuk op dat stuk alleen mag baseren. In een uitvoering van een cellosonate van Beethoven moet ook de kennis van zijn trio's, pianoconcerten en symfonieën doorklinken.“

Orkestrale saus

Het geluid van Starker is op de meters opnames die van hem verkrijgbaar zijn (de discografie in zijn boek telt 33 pagina's) analytisch, kernachtig en van een ingehouden emotionaliteit - al moet je in concerten van Haydn wel eerst door de nu erg romantisch aandoende orkestrale saus heenbijten. Maar Starker is sowieso de eerste om authenticiteit te relativeren. “Ik wil niets afdoen aan het belang van de authentieke uitvoeringspraktijk en wat die voor het muziekleven heeft betekend, maar is wat wij nu “authentiek' noemen niet eerder museaal? En in die zin ben ik er ook voor. Het is zinvol en goed te proberen te reconstrueren hoe iets toen was. Maar we leven nu.“

In dat nu zijn er meer goede cellisten dan ooit tevoren. Starker is de eerste om dat te beamen. “De ontwikkeling van de cellovirtuositeit loopt wat dat betreft gewoon een eeuw achter bij de viool en de piano.“ Maar grote cellisten zijn er nog steeds weinig. “Grote persoonlijkheden zijn altijd schaars“, nuanceert hij. “En helemaal zeldzaam zijn grote cellisten die ook nog succesvol zijn. Ik heb voor de grap eens een lijst gemaakt met de veertig vereiste eigenschappen, zoals motorisch én verbaal talent, fysieke gesteldheid, charisma - enzovoort. Maar uiteindelijk gaat het om herkenbaarheid. Of je iemands geluid uit duizenden kunt herkennen.“

En of dat geluid je iets doet. Want uiteindelijk is dat Starkers essentie, al is hij fel tegen een opgelegde emotionaliteit, moet de cello zingen met het naturel van de menselijke stem en is goede muziek altijd een kwestie van spanning en ontspanning. “Maar uiteindelijk is muziek de enige blijvende menselijke waarde in het leven. In de donkerste tijden is er muziek om te zorgen dat je je menselijkheid behoudt en niet verwordt tot een beest. Mijn geloof in god en in de menselijkheid van de meeste medemensen ben ik met mijn broers verloren. Maar mijn geloof in muziek als medium van menselijkheid heb ik behouden.“

Nexus-lezing “What is a Masterpiece?' door Janos Starker. Zaterdagmiddag 13 mei om 15.15 u. in de aula van de Universiteit van Tilburg. Aansluitend: concert door cellist Emilio Colón en pianiste Jung Lin. Er zijn nog enkele kaarten beschikbaar. Res.: (013) 466 3450 of starker@nexus-instituut.nl. Inl.: www.nexus-instituut.nl