En al wie lelijk is maken we af

Michel Houellebecq toont een wereld die pijnlijk op de onze lijkt. De post-puber heeft het daarin voor het zeggen. Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub

In het nachtleven wordt de seksuele marktwaarde van het individu bepaald. De masturbanten worden in de discotheek pijnlijk zichtbaar gescheiden van de versierders; in feite kijken we naar een kleine groep die toegang heeft tot andermans geslachtsdelen en de veel grote groep die zich met audiovisuele middelen zal moeten behelpen. Alleen in een koude kamer.

Op tweederde van de De wereld als markt en strijd kiest Michel Houellebecq een discotheek in een Frans kustplaatsje als decor voor de definitieve ondergang van twee informatietechnologen. Een discotheek omdat iedereen boven de vijfentwintig daar vanzelf een beetje deerniswekkend is. Waar stilte en traagheid, die aangename bijkomstigheden van de ouderdom, agressief worden vermorzeld.

De discotheek heet De Aanloophaven, het is kerstavond. De naamloze verteller heeft zijn collega Raphaël Tisserand overgehaald mee te gaan, met geen andere bedoeling dan hem van zijn laatste beetje zelfrespect te beroven. Tisserand is namelijk een kansloze deelnemer op de vleesmarkt. Houellebecq schrijft: “Het probleem van Raphaël Tisserand - de kern van zijn persoonlijkheid, om precies te zijn - is dat hij zeer lelijk is. Zo lelijk dat hij vrouwen afstoot met zijn uiterlijk en ze niet het bed in kan krijgen.'

In De Aanloophaven zien we “veel minirokjes en gedecolleteerde lijfjes; frisse jonge huid, kortom'. De lezer is stapje voor stapje meegevoerd naar Tisserands val, we zien hem zichzelf belachelijk maken op de dansvloer in een radeloze poging indruk te maken op een mooi meisje, alles tevergeefs, de laatste spartelingen in een zee van wanhoop en zelfverachting.

Het meisje dat Tisserand begeerde gaat ervandoor met een jonge neger (niet voor niets een neger, die bij de gefrustreerde blanke man gevoelens van seksuele minderwaardigheid oproept). De verteller haalt Tisserand over om het paartje te vermoorden met een steakmes, dat hij voor dat doel voorin zijn auto heeft liggen. “Je moet nu, vanavond, een carrière als moordenaar beginnen; geloof me, beste vriend, dat is de enige kans die je nog hebt.' Dat Tisserand hier zomaar in toestemt, is weliswaar een onvoorziene en ongeloofwaardige wending in het verhaal, maar er zit een lustmoord aan te komen, knappe lezer die het boek nu nog weglegt.

De mannen volgen het stelletje naar de duinen, Tisserand verdwijnt in de nacht met het mes in zijn hand. Veel later keert hij terug, hij heeft het niet gedurfd. “Ik heb me afgetrokken. Ik had geen zin om ze te doden; bloed verandert niets.'

Had Tisserand de neger en het meisje vermoord, dan was het een teleurstellende subplot geweest, Eros en Thanatos in de duinen, maar juist het feit dat hij het niet doet, maakt de scène tot een kwalitatief hoogwaardige anticlimax. (Diezelfde nacht zal Tisserand zichzelf overigens in de mist te pletter rijden op een vrachtwagen. Het banale toeval heeft de hoofdrol, de roman kan verder naar de geestelijke zelfvernietiging van de verteller aan het slot.)

De wereld als markt en strijd toont een maatschappijvorm die pijnlijk op de onze lijkt, waarin de postpuber het voor het zeggen heeft. De belangrijkste spelers op de markt zijn zelden ouder dan dertig jaar, en ook al hebben beide hoofdpersonages een beroep in een nog jonge industrie, in het moordende tempo waarmee de machine van de informatietechnologie draait zijn ze al voorbijgestreefd door andere, vaak jongere professionals.

In het vrieskoude universum van Michel Houellebecq is lelijkheid en/of ouderdom (vaak zijn die twee bij hem synoniem) de sleutel tot een sociaal-erotische catastrofe. Lelijke kinderen worden gepest op school, krijgen in de puberteit te maken met de seksuele afkeer van leeftijdgenoten en zullen in hun volwassen leven slechts eenzaamheid en zelfhaat kennen. De nietsontziende wreedheid van het schoolplein zet zich onveranderd voort in het kantoorlandschap van tl's, systeemplafonds en koffiebekers met opdruk. De enige oplossing is zelfmoord. Of de aanzet tot een moord, zoals in De wereld als markt en strijd. Iedereen die oud of lelijk is heeft automatisch verloren, puur en alleen omdat hij niet jong en mooi meer is. De contouren van een sociaal-darwinistische hel tekenen zich af; we verliezen onze aantrekkingskracht, onze seksuele functies takelen af, we worden winkeldochters van een markt die wordt gedicteerd door jongvolwassenen met een glanzende huid. De iconografie van de commercie wil de consument boven de dertig weliswaar laten geloven dat er zoiets is als “mooi oud' (waarvoor actrices van zekere leeftijd worden ingezet die ons verzekeren dat het leven nog steeds beter wordt na je vruchtbare jaren, en dat urineverlies nu echt verleden tijd is), maar dat is een soort leven na de dood: je moet erin geloven omdat het anders niet bestaat.

Wat rijp is rot is - dat is in deze infantiele wereld het motto. “Wij zijn allemaal eeuwige adolescenten, kids, we zoeken permanent vermaak', schrijft Houellebecq. En wie strikt genomen geen adolescent meer is, bereidt zich voor op de dood: “Hetgeen men op een bottere, minder nauwkeurige manier kan verwoorden door te stellen dat de mens een afgetakelde puber is.'

Een afgetakelde puber in een puberale wereld, omringd door de parafernalia en de schoonheidsidealen van de puberteit; hierin is de dood geen straf maar een genade.

(De titel van dit artikel, “En al wie lelijk is maken we af', is afkomstig van Boris Vian, de Franse schrijver die in 1959 een hartaanval kreeg bij het zien van de verfilming van zijn roman Ik zal spuwen op jullie graf. Met deze auteur deelt Michel Houellebecq meer dan alleen zijn nationaliteit, de rechtszaken en maatschappelijke opwinding en afkeer die hun werk heeft vergezeld. Te noemen vallen het a-morele perspectief, de heldere stijl en de bijtende misantropie. Maar de lach die dit oproept, is eenzaam, en wordt door niemand gehoord.)