Een gentleman in de ring

Floyd Patterson in 1956. Foto AP ** FILE ** Heavyweight boxer Floyd Patterson is shown in an action pose in 1956. Patterson, who came back from an embarrassing loss to become the first boxer to regain the heavyweight title, died Thursday. He was 71. Patterson died at his home, in New Patlz, N.Y., having suffered from Alzheimer's disease for about eight years, according to nephew Sherman Patterson. He also had prostate cancer.(AP Photo) Associated Press

Mark Hoogstad

Een maand lang sloot hij zichzelf op, ontgoocheld over de verpletterende nederlaag die hij, op 26 juni 1959, in New York had geleden tegen Ingemar Johansson. Geen spaan had de robuuste uitdager uit Zweden van hem heel gelaten; in de derde ronde ging hij maar liefst zeven keer tegen het canvas. Floyd Patterson, destijds de jongste wereldkampioen (21 jaar) in het zwaargewicht, schaamde zich diep.

Gisteren overleed hij, op 71-jarige leeftijd, aan de gevolgen van Alzheimer in combinatie met prostaatkanker. Muhammad Ali roemde zijn generatiegenoot ooit als „de meest talentvolle bokser die ooit tegenover mij stond”. Maar Patterson zal vooral worden herinnerd als een aimabele en gracieuze vuistvechter die, na zijn afscheid in 1972, kon terugkijken op een grillige loopbaan.

Een jaar na zijn nederlaag tegen Johansson heroverde Patterson de titel, op de Zweed die hem zo had vernederd. Na zijn tegenstander in de vijfde ronde knock-out te hebben geslagen, hielp hij Johansson op de been en bracht hem naar diens hoek, ten overstaan van ruim 42.000 toeschouwers. Het was een zeldzaam gebaar van sportiviteit, en leverde hem de bijnaam The Gentleman of Boxing op.

Ruim een jaar later stond Patterson tegenover een landgenoot, die alom werd gevreesd: Sonny Liston. Het titelgevecht in Chicago ging de boeken in als The Good (Patterson) versus The Bad (Liston), en ontaardde in een pijnlijk demasqué voor de eerste. In plaats van te vertrouwen op zijn snelheid zocht de lichtvoetige Patterson de confrontatie op met Liston en diens vermaarde linkervuist. Al na twee minuten en zes seconden ging hij tegen de vlakte. „De veroordeelde die de beul opzocht”, schreef John Durant in zijn boek The Heavyweight Champions (1976).

Wat volgde is een legende in de geschiedenis van de bokssport. Patterson stapte na het gevecht in zijn auto op weg naar huis, maar had zich, opnieuw uit schaamte, zodanig vermomd dat niemand hem herkende: met een zonnebril, en een plaksnor en -baard.

Patterson had het noodlot getart, was de eensluidende mening. Hij had beter moeten luisteren naar John F. Kennedy, toenmalig president van Amerika, die hem hoogstpersoonlijk had afgeraden om de strijd aan te binden met de door gangsters omringde Liston. Hetzelfde advies kwam van Cus D’Amato, Pattersons persoonlijk trainer en begeleider die, toen zijn pupil weigerde, de relatie verbrak. Diezelfde D’Amato was de drijvende kracht achter de bokser, die Patterson in 1986 afloste als de jongste wereldkampioen in de koningsklasse van de bokssport: de toen 20-jarige Mike Tyson.

Zeventien jaar was Patterson toen hij, de derde uit een straatarm gezin van elf kinderen die werd geboren in Waco (North Carolina), in Helsinki (1952) de olympische titel in het middengewicht won. De enige die hem partij bood in de Finse hoofdstad was een Nederlander, Leen Jansen, die uiteindelijk werd geveld door een rechtse directe. In 1998 zouden beiden elkaar opnieuw ontmoeten, bij een gala voor boksveteranen, maar wegens gezondheidsproblemen zegde Patterson af.

Het was de tol, die hij had moeten betalen voor een carrière (55 zeges, 8 nederlagen, 1 onbeslist) in de ring. Zelf zei hij het ooit zo: „Een bokser verliest meer dan zijn trots in een gevecht; hij verliest een deel van zijn toekomst.”

    • Mark Hoogstad