De overbodige man

BREMEN/ NEW YORK. In het voorjaar van 2005, op 7 april om precies te zijn, arriveerde ik in Bremen om in het Junges Theater voor te dragen uit eigen werk.

Dat is het begin.

De boekhandelaar is een heer of dame op leeftijd, behept met kwalen, gepijnigd door het leven, maar gezegend met een gezonde haat tegen de producten die hij hoopt te verkopen. Een halfuur voor aanvang van de lezing arriveert hij met een doosje boeken die hij uitstalt op een keukentafel.

Zo niet in Bremen, daar verschenen Konstantin en Astrid. Astrid stond op het punt te trouwen met een bioloog. Konstantin verzamelde oudere heren, zoals anderen Hermans en Reve.

Het geluk van de ander gaat mij aan het hart. Wij dronken tot vijf uur in de ochtend wodka. Weddenschappen werden afgesloten wanneer de kinderen zouden komen. Al met al was het een avond die de handelsreiziger verzoent met zijn handel. De volgende dag moest ik naar Elfriede Jelinek voor een interview. Van de wodka heeft niemand iets gemerkt.

Dat is het midden.

Voorjaar 2006, op 24 april om precies te zijn, las ik weer voor in het Junges Theater te Bremen.

Daar verschenen Konstantin en Astrid, met een doosje boeken. Eerst herkende ik ze niet. In dat ene jaar was veel gebeurd en de wodka had meer gaten in het geheugen geslagen dan ik besefte.

Ze waren vergevingsgezind. Ik vroeg: “Astrid, hoe is het met de bioloog?“

“Ach“, zei ze.

Na de lezing stopten wij de onverkochte exemplaren weer in de doos, en ergens in de binnenstad bij een Turk, waar ze ons nog wat gebakken aubergines en pita's met gesmolten geitenkaas konden aanbieden voor een vriendenprijs, begon Astrid aan haar verhaal dat mij sindsdien niet meer heeft losgelaten.

Twee weken voor haar huwelijk had ze een man ontmoet die ze niet kon weerstaan omdat ze hem kende uit een vorig leven.

Ik onderbrak haar. “Wat voor vorig leven?“ Onderwijl trok ik slierten gesmolten kaas tussen mijn tanden vandaan.

“Een leven voor mijn geboorte“, antwoordde Astrid, “ik was al eens op deze wereld, in de achttiende eeuw.“

“Aha“, zei ik.

Dagenlang ging Astrid met een bezwaard gemoed naar de boekhandel, ze vergat de bestsellers te bestellen, ze gaf onbruikbare adviezen en ze sloot met haar collega's weddenschappen af over onverkoopbare boeken die zij binnen vierentwintig uur aan naïeve klanten zou aansmeren.

Dat zij in de achttiende eeuw al eens op deze aarde had rondgelopen, wist de bioloog en daar had hij vrede mee. De rest wist hij niet, en daar kon hij dus ook geen vrede mee hebben.

Een paar uur voor het huwelijk besloot Astrid alles aan haar aanstaande echtgenoot te vertellen. “Ik heb twee weken geleden een man ontmoet“, zei ze in de auto naar de kerk, “die ik niet kon weerstaan, want ik kende hem uit een vorig leven.“

Aanvankelijk nam de bioloog het goed op. Ze trouwden, ze betrokken hun nieuwe woning, ze deden alles wat getrouwde stelletjes doen, maar geleidelijk aan begon de bioloog het vorige leven van zijn vrouw te wantrouwen.

“Wat heb je eigenlijk allemaal uitgespookt in de achttiende eeuw?“ vroeg hij haar op een zaterdagmiddag in de supermarkt.

Na enig doorvragen bleek dat ze in de achttiende eeuw niet bijzonder kuis was geweest, in de eenentwintigste eeuw had het tussen haar en de kuisheid ook al niet zo geboterd en het was mijn stellige overtuiging dat, als ze in de drieëntwintigste eeuw zou terugkeren naar aarde, het evenmin een bijzonder kuise bedoening zou worden.

Dit besef maakte de bioloog langzaam gek.

“Waar houdt de kuisheid precies op?“ vroeg ik. Een handelsreiziger eet niet veel en dan heeft de wodka een licht verdovende werking.

De bioloog verwaarloosde zijn promotie-onderzoek en concentreerde zich op het meubilair dat hij af en toe in elkaar sloeg. Eerst alleen opklapstoeltjes, later sneed hij de zitbank open.

Een tijd zag Astrid dit kalm aan want ze is een verstandige vrouw, maar toen er geen vooruitgang in zat, elke dag werd er iets anders opengesneden, besloot ze dat het goed was haar huwelijk voorlopig voort te zetten in twee verschillende woningen. Zij trok weer bij haar ouders in en liet de bioloog de woning met de kapotte meubelen.

“Toch“, zei ze, “had ik op dat moment een goed gevoel over de toekomst. Uit mijn vorige leven weet ik dat mannen meer tijd nodig hebben om over bepaalde dingen heen te komen dan vrouwen.“

De bioloog had andere ideeën over de toekomst.

In plaats van naar de universiteit te gaan, bezocht hij de boekwinkel waar zijn vrouw werkte. Ze had de romans onder haar hoede, en de afdelingen sociologie en politicologie.

Hij wisselde liefdesverklaringen af met dreigementen en spijtbetuigingen. Bovendien liet hij een baard staan en sprak vervloekingen uit over klanten, de boekhandel, zijn eigen familie en de stad Bremen.

De eigenaar van de boekhandel meende dat zijn klanten niet betrokken mochten worden in de huwelijksproblemen van het personeel en hij verbood de bioloog de boekhandel nog langer te betreden.

“Je moet weten“, zei Astrid, “dat hij een van de briljantste biologen van de universiteit was. De politie zegt: Mevrouwtje, zolang er niets gebeurd is kunnen we niets doen, maar als u ons belt zijn we er binnen vijf minuten.“

Toen werd ze eindelijk stil, ze leegde haar glas rode wijn en ik beseft dat de vrouw van nature verbonden is met de mensheid, het dierenrijk en de rest van het universum. Maar de man die overbodig is moet zelf iets verzinnen om zich mee te verbinden. Een oeuvre, rijkdom, een fabriek, een utopie. Ik zeg: hij dient zijn isolement niet te ontvluchten, hij moet het omarmen om erger te voorkomen.

Wij namen afscheid van Astrid.

In de taxi naar hotel Alte Neustadt, zei Konstantin: “Ik vind je leuk.“

De tijd leek mij nog niet aangebroken om mijn overbodigheid te delen met een andere man. Bovendien wist ik dat hij op oudere mannen viel en ik vond mijzelf niet oud genoeg voor Konstantin.

Ik keerde terug naar New York waar de werkster op mij wachtte. Haar dochter zat voor mijn computer en bekeek Finding Nemo.

Dit zijn de rituelen en toen die volbracht waren, woonde ik een brunch bij in de tuin van de Nederlandse culturele attaché ter ere van Ayaan Hirsi Ali en Dubravka Ugresic en een Vlaamse wier naam ik ben vergeten.

Daarna vond een discussie plaats over de vrijheid van meningsuiting, onder leiding van Ian Buruma in The New School.

Ayaan was charmant en overtuigend. Dat enkele vrouwen opstonden om haar een staande ovatie te geven, leek mij alleen al gezien haar retorische kwaliteiten terecht. Achter deze kwaliteiten verborg zich een heilsleer, die van het atheïsme. Maar toch liever zo'n heilsleer dan een andere.

Toen de discussie voorbij was, in zijn soort niet slecht, maar de vraag dringt zich bij dergelijke aangelegenheden toch altijd weer op of zwijgen niet beter is, bekroop mij een onverwachte maar scherpe jaloezie.

Ik verlangde naar een zaak waarvoor ik kon strijden, zoals Ayaan er een had. Hermans mag gezegd hebben dat hij geen volgelingen wenste. Mij scheen het dat de overbodige man dringend toe is aan een paar volgelingen.

Niet alleen de overbodigheid, ook Astrid achtervolgde mij dezer dagen.

Die avond, terwijl ik alweer een discussiebijeenkomst bijwoonde, dit keer over dubbele nationaliteiten, verscheen mij eerst Astrid, vervolgens de bioloog en uiteindelijk Konstantin met zijn verzameling oudere heren.

Kijkend naar collega's achter een tafel begreep ik dat achter elke schrijver het gemankeerde verlangen schuilgaat voor ten minste één lezer onweerstaanbaar te zijn.

Vanaf heden ging ik me concentereren op de lezer die me nog kende uit een vorig leven.