De laatste dansnomaden

Een groep jonge Russen stuwden na de Russische Revolutie in het westen de danskunst voort. Het was een hecht gezelschap van ontheemden, zoals blijkt uit een boek en een documentaire.

“Ga nou ergens staan!“ Sommigen zien elkaar voor het eerst in veertig jaar weer. Vandaar dat het even duurt voordat het warrelende tableau de la troupe van de Ballets Russes stilhoudt. Voordat de bijna honderd koutende en lachende en ronddrentelende oud-danseressen en -dansers met een gemiddelde leeftijd van om en nabij de vijfenzeventig, hun posities hebben ingenomen voor de foto. “Gewoon ergens gaan staan en Look good!“ Tenslotte geven ze gehoor aan de vrolijke oproep van een van de oudsten onder hen, Frederic Franklin, en daar staan ze, in het lang en in smoking en verzorgd gekapt, op het toneel van de schouwburg in New Orleans. En of ze er goed uitzien! De pailletten fonkelen, de gezichten glimmen van plezier terwijl ze in het flitslicht van de fotografen hun applaus nemen. Deze keer niet voor één voorstelling, maar voor alle voorstellingen die ze ooit hebben gedanst. Dan komen ze nogmaals naar voren. Nu in zwart-wit. Jong en soepel en o zo aantrekkelijk in hun balletkostuums. Ze buigen, in stilte, want de scène werd lang geleden gefilmd met een amateurcamera.

De makers van de bijna twee uur durende documentaire Ballets Russes (Dayna Goldfine en Dan Geller, 2005) sloegen toe zodra ze lucht kregen van de op handen zijnde reünie in juni 2000. Ze doken in de enigszins gecompliceerde geschiedenis van de twee (rivaliserende) balletgroepen die onder die naam over de wereld trokken tussen 1932 en 1962, interviewden de twintig belangrijkste oudgedienden, zochten en vonden bijzonder en veelal nooit vertoond filmmateriaal en zetten een smeuïg portret neer van een onverwoestbare nomadenstam.

De jaren van de twintig getuigen tellen, zeker in contrast met de glanzende studioportretten van de sensuele en viriele sterren die ze zijn geweest. De lange halzen en de sierlijke vingers gerimpeld nu. De lijven niet langer tot het kleinste kootje getraind. Maar hoe ouder en gegroefder ze ogen, hoe levendiger ze vertellen. Met de glimp van een accent dat een verre origine verraadt en met flarden van de allure van weleer in hun motoriek. Jaloersmakende levenslust spat ervan af en hun verhalen zijn onweerstaanbaar, door wat ze te vertellen hebben en vooral door de manier waarop ze terugkijken op hun gedeeld verleden.

Ze hebben klinkende namen, uit de jaren dat men grootheden vol ontzag met de achternaam aanduidde. Baronova, Tsjinarova, Riaboesjinskaja, Krassovska, Zoritsj. Russen, en quasi-Russen. De Amerikaan Marcel Le Plat werd Platoff. De Engelse Lillian Alicia Marks werd Markova. Serge Diaghilev, de impresario die vanaf 1909 de vernieuwende Russische balletkunst naar het westen bracht, gaf het talentvolle meisje in 1926 haar toneelnaam. Na Diaghilevs dood in 1929 en het verscheiden van de oorspronkelijke Ballets Russes bleef die gewoonte in zwang. Ook in Nederland, waar Diaghilevs gezelschap in 1924 had opgetreden, was “een excentrieken naam“ vereist. “Met je gewonen Hollandschen naam slaag je niet, want om te kunnen dansen moet je wieg in Rusland (het geheele oude rijk hieronder inbegrepen)“ hebben gestaan, berichtte het tijdschrift Het Leven eind jaren twintig in een verslag over de succesvolle tournee naar Zuid-Afrika van het vierkoppige Stroganoff Ballet.

Huifkarren

Land na land, stad na stad, van operahuizen tot in bioscopen zonder kleedkamers en met krakkemikkige vloeren, verspreidden de Russen hun kunst. Ze brachten een repertoire waar kenners van achterover sloegen en dat buitenstaanders omtoverde tot balletomanen. Ze reisden in huifkarren, bussen, per boot of met een speciale trein naar uithoeken waar zelfs de doorsnee clichés over ballet niet eens bestonden doordat niemand ooit een balletdanser had gezien: de maori's in Nieuw-Zeeland klapten niet, omdat ze de choreografieën voor een ritueel hielden. En de recensenten in Londen waren verbolgen omdat Léonid Massine voor zijn Les Présages (1933) een symfonisch werk (van Tsjaikovski) gebruikte. Een muziekballet: ongehoord! Aanbeden in hoofdsteden, aangegaapt in gehuchten; hun glorieuze tijdperk is allang voorbij en dat weten ze.

Gaandeweg stemt het feestelijke, prachtig geïllustreerde portret tot nadenken over de beweegredenen van die unieke generatie. De choreografen, regisseurs, ontwerpers, componisten die het repertoire nauwsluitend op hun lijven modelleerden, waren net als de meeste dansers Russische vluchtelingen: gedreven, getalenteerd, en onvermoeibaar in hun drang tot vernieuwing. Of kwam het een uit het ander voort?

Irina Baronova (1919) geeft daar uitsluitsel over in de adembenemende memoires die ze schreef, geïnspireerd door haar medewerking aan de documentaire. Irina. Ballet, Life and Love speelt zich af tussen Russische Revolutie en Glasnost. De ingrijpende gebeurtenissen en wendingen in de eerste helft van de twintigste eeuw vormen de specie van haar theatrale levensloop. Dit is het verhaal van de exil. Van haar en van vele collega's die - om een oneerbiedige woordspeling te gebruiken - de dans ontsprongen, want de vlucht van hun ouders, vaak na grimmige ervaringen, is de bron van hun werk geweest. Zelf waren ze te jong om de turbulente jaren te hebben meegemaakt - de oudsten werden in en rond het jaar van de Russische Revolutie geboren. Als baby zijn ze mee de grens over gevlucht en ze groeiden op in omstandigheden die het tegendeel waren van het weldadige leven van vóór 1917. In Parijs, ondergedompeld in de meerkleurige exil-gemeenschap, kwamen talenten naar boven in de studio's van emigrés als Ljoebov Jegorova en Olga Preobrazjenska. De ouders konden niet aarden, maar de kinderen bloeiden op, behept met een levenslange drift tot presteren.

In Madrid zijn als de Spaanse Burgeroorlog uitbreekt - en daar bij gebrek aan voedsel een kip stelen om die in de hotelkamer te plukken en te koken. In Berlijn na afloop van een voorstelling handkussen en bloemen krijgen van Hitler en Goebbels. Op Nansenpaspoorten de wijk nemen uit het bezette Europa. Belaagd worden door sovjet-agitatoren die de sterren probeerden terug te lokken. En maar doordansen. De baaierd aan details is alleen te verklaren door de combinatie van vrijbuiterschap en discipline, het incasseringsvermogen en de hang naar applaus, door de bezetenheid voor het efemere vak.

De documentaire geeft de dagelijkse praktijk weer van die danswoede. Hoe ze leefden uit een valies (plus het onafscheidelijke grimekoffertje), trainden in een open veld met handdoeken over de prikkeldraad afrastering als barre, overnachtten in de trein op weg naar de volgende “one night stand' met de inderhaast uitgespoelde maillots te drogen hangend aan de bagagerekken. Altijd om geld verlegen, meestal moe, en hongerig.

Onderweg dijde de karavaan uit met westerse dansers, onder wie de Amerikaans-Indiaanse Maria Tallchief (1925), de Deens-Nederlandse Nini Theilade (1916) en de nog altijd in het theater actieve Engelsman Frederic Franklin (1914). Kernachtig schetst hij de merkwaardige samenleving waarin hij terechtkwam: zeventien nationaliteiten en acht Russische moeders. Ze waren nergens thuis dan in de beslotenheid van het tableau de la troupe, met alle vluchtige romances en heftige intriges, met soms mislukkingen en meestal triomfen.

Geen van hen was toegerust voor een normaal leven. Baronova licht dat in haar boek uiteraard veel uitvoeriger toe dan in de documentaire mogelijk was, maar ook daarin komen de eigenaardigheden van de dansnomaden naar voren, verpakt in miniaturen van hun collega's en van de kunstenaars die hen afmatten - wat ze met liefde toestonden. De neurotische Bronislava Nijinska die witte handschoentjes droeg om de zweterige lichamen niet te hoeven aanraken. De autoritaire Massine die hen na een voorstelling in hotellounges tot diep in de nacht een nieuw ballet liet repeteren.

“ Bless him!“ zegt Baronova terugdenkend aan het moment in 1932 dat choreograaf George Balanchine haarzelf, Rjaboesjinska en Toemanova uit de klas van Mme Preobrajenska pikte. Ze waren de kinderkamer nauwelijks ontgroeid toen ze een plek veroverden in de gelederen van de Ballets Russes. In een ommezien soleerden de “baby-ballerina's' als volwassen vrouwen, elk met een specifieke kwaliteit. Hun meereizende moeders, de beruchte balletmoeders, haalden samen elke dag herinneringen op aan het land dat ze verloren hadden (Baronova's getraumatiseerde moeder zou er nooit meer overheen komen). Onderwijl gunden ze elkaars dochters de schijnwerpers niet, vertelt de dansdocente en choreografe Nini Theilade, destijds een wonderschoon engelachtig wezen, gechaperonneerd door haar Indisch-Nederlandse moeder. Het was de moeders verboden om opmerkingen te maken. Maar in de coulissen gaven ze toch commentaar, met hun dodelijke blikken.

Vervlogen tijd

Ballets Russes biedt een caleidoscoop van bevlogen persoonlijkheden uit een vervlogen tijd. Op een enkele misstap na, zouden ze het precies zo over doen, omdat in hun lichamen dat vernieuwende repertoire groeide. Nog altijd eren ze de scheppers: Fokine, Balanchine, Massine, Nijinska. De Russen veroverden de wereld, terwijl de dans doodbloedde in het land van herkomst.

Dat is wel het meest opzienbarende aan deze geschiedenis. Hoe een groep jonge ontheemden in de diaspora de twintigste-eeuwse danskunst voortstuwde. Hun landgenoten verrijkten de westerse filmindustrie, het theater, de muziek, de letterkunde, maar geen van die refugés hoorde thuis in zo'n wonderlijk hechte groep van onthechten - een echte “stam' zoals Baronova telkens benadrukt. Tot ze, de een na de ander, de exclusieve gemeenschap verlieten. Een huwelijk voor de een, een verbintenis op een vaste plek bij de ander en uiteindelijk de teloorgang van de laatste Ballets Russes. In 1962 was de slotvoorstelling, in afgebladderde decors en uitgewoonde kostuums die de schijn van voorheen niet meer konden ophouden. De groep legde het loodje door wanbeleid, gebrek aan evolutie en door de concurrentie van balletgezelschappen die onder hun invloed over de hele wereld waren ontstaan en waarvan de vernieuwing kwam. De meeste dansers volhardden in hun vak: door les te geven, hun glansrollen te coachen en zo hun kennis en hun grenzeloze liefde over te dragen.

Sinds dat weerzien in New Orleans, nu zes jaar geleden, is het tableau de la troupe geslonken. Gelukkig waren de getuigenissen afgerond van Tatiana Rjaboesjinska (1917-2000), van Mia Slavenska (1914-2002), van Dame Alicia Markova (1910-2004) en van Nathalia Krassovska (1918-2005), die op de vraag waarom ze haar balletschool in Texas was begonnen, had uitgeroepen: “Wat moet ik anders!? Boeken verkopen?“

De laatst levende afgezanten van de Ballets Russes bezitten het vermogen om te zien in een even persoonlijk als collectief beleden plezier. Met pretogen, weemoedig en dan weer zich verkneukelend hebben ze de verdwenen epoche uitgeluid, in de volle overtuiging dat er ondanks de momenten van enorme eenzaamheid en wanhoop, geen andere keuze was dan dit krankzinnige bestaan.

Het verklaart hoe ze daar in juni 2000 op het podium van het theater in New Orleans bijeenstonden, kwetterend als de vitale jonge mensen die ze eens waren, verlost van de dagelijkse pressie die ze jaar in jaar uit hadden ondervonden, maar innerlijk in de startblokken om uit de coulissen op te komen, omdat in hun oude spieren hun befaamde rollen bewaard zijn gebleven.

“Ballets Russes' van Dayna Goldfine en Dan Geller is vanaf 18 mei te zien: The Movies Amsterdam, 't Hoogt Utrecht, Filmhuis Den Haag. Irina Baronova: “Irina. Ballet, Life and Love', Viking, Penguin