Bach Bauh Baue Bauer

De roep om een smaakdictaat van de culturele elite is achterhaald. Wat we vooral nodig hebben is een andere legitimatie voor de bescherming van kunst.

De Piazza della Signoria in Florence met de Neptunus-fontein foto Martin Parr/Magnum/HH 1994 EUROPE. 1994. ITALY. Florence. Piazza Signoria. From' Small World'. 1994. Image send to redaction (Transaction : 632829325045000000) © Martin Parr / Magnum Photos Parr; Martin; Magnum Photos

Aan het slot van een kennisquiz op televisie kreeg de winnaar een magnumfles champagne. De verliezer ontving een woordenboek.

Wie de winnaar was, weet ik niet meer, en hoe de quiz heette, ben ik vergeten. Maar de verliezer was de schrijver Thomas Rosenboom en zijn beteuterde gezicht herinner ik mij goed. Misschien had Rosenboom zijn verlies niet zien aankomen. Misschien had hij al een woordenboek - die kans lijkt mij achteraf gezien vrij groot. Maar misschien trof hem ook de treurige symboliek van de situatie, die maakte dat ik moedeloos ineenzakte op de bank. De winnaar ontvangt een magnumfles champagne, symbool van wat tegenwoordig voor feestvieren doorgaat: apengebral voor de camera met een spuitende fles. Het gebonden woordenboek is voor de loser.

Soms verschans ik mij graag in een kuil van cultuurpessimisme. Een heel voorstelbare, primaire reactie is dat, voor even. De cultuuroorlog, de strijd om de ruimte tussen hoge en lage cultuur, lijkt namelijk eigenlijk al verloren. Onze staatssecretaris van Cultuur vindt musea stoffig. Wie na 1 september de tv of radio aanzet, hoeft niet langer bang te zijn dat hij kunst of cultuur zal tegenkomen. De bioscoopbranche slaat alarm omdat de stoelen leegblijven. Heel Nederland kijkt naar Idols.

Heel Nederland? Nee, de laatste cultuurpessimisten roepen dat het zo niet langer kan en dat de elite weer het voortouw moet nemen.

Een tijdje geleden verscheen in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant een paginagroot artikel van Arnoud Veilbrief onder de kop “Hadewych is beter dan Hazes'. Nederland is ten prooi gevallen aan een soapcultuur, stelden hierin onder meer tv-producent Harry de Winter, cabaretier Jeroen van Merwijk en hoogleraar en publicist Paul Scheffer. Niet langer probeert de elite het volk te verheffen, volgens het aloude Bildung-ideaal, maar het omgekeerde is gebeurd: de elite heeft zich bekeerd tot de smaak van het volk. André Hazes is zelfs onder academici populair. Heel Nederland brult mee met smartlappen, al dan niet onder het mom van ironie.

Als remedie voerden de drie aan dat de hoogopgeleide culturele elite weer zelfbewust een smaakdictaat moet durven leveren. “Je moet weer durven zeggen: Bach staat hoger dan rapper 50cent. Punt uit.“ De oude hiërarchie van culturele smaak moet in ere worden hersteld. “Elitair zou een eretitel moeten zijn.“

Ondanks mijn eigen aanvallen van pessimisme komt iets in mij bij zo'n artikel in opstand. Loopt het echt zo'n vaart en is de remedie echt zo eenvoudig? Die paar procent van de bevolking die zich dan nog voor hogere cultuur interesseert, lijkt er geen genoeg van te kunnen krijgen. De Matthäus Passion is een hit, de opera is altijd uitverkocht. Het is kennelijk nog steeds rendabel om al die bergen boeken uit te brengen, en lang niet alle bestsellers zijn pulp. Massa's mensen schuifelen langs Rembrandt en Caravaggio. Het bioscoopbezoek gaat achteruit, maar de arthouses, waar de wat kunstzinniger films worden gedraaid, hebben van die daling weinig last. Overal in het land zijn kunstbeurzen, zangkoren, schrijfclubjes en bandjes. De culturele elite is dan wel klein, maar ook springlevend en fanatiek. Senioren zijn als het om klassieke cultuur gaat misschien oververtegenwoordigd, maar er bestaat ook zoiets als een volwassen smaak, die je pas ontwikkelt als je ruim voorbij de twintig bent.

Nee, de televisie en het mediabeleid zijn niet per definitie representatief. Het grootste probleem lijkt de cultuurangst en de behaagzucht van onze benauwde bestuurlijke elite, nog altijd verlamd door de shock van Fortuyn en nog steeds bezig zich in bochten te wringen om “het volk' te behagen. Alsof dat bestaat uit één groot stadion vol Frans Bauerfans. Ooit van differentiatie gehoord?

Of zit er toch wat in dat cultuurpessimisme? Toegegeven, cultuur kan mij niet zwaar en complex genoeg zijn, en ik krijg het zelf benauwd als ik merk hoezeer dat uit de publieke ruimte lijkt te verdwijnen. Ik vind Bach veel meer waard dan welke rapper ook, Hazes vind ik onverdraaglijk. Ik vind het een schande dat er voor cultureel geïnteresseerden nauwelijks meer iets overblijft op radio en televisie, en dat niet-cultureel geïnteresseerden daarmee de mogelijkheid ontnomen wordt zich te laten verrassen. Ook de passieve houding van kunstenaars en mensen in creatieve beroepen wekt verbazing. Protesten van creatieve makers bij de omroep zijn tot een minimum beperkt gebleven. Kunstenaars hebben niet massaal gereageerd op Jeroen van Merwijks oproep tot een Nieuw Elitair Elan.

Toch lijkt cultuurpessimisme mij bij voorbaat een achterhoedegevecht. Dat is het tenslotte altijd geweest: veel van wat nu hoge cultuur is, werd bij verschijnen afgedaan als een teken van zedenverwildering en culturele verwording (de wals, de roman, de film). Cultuurpessimisme is ook doordrongen van wat de Israëlische filosoof Avishai Margalit cultureel snobisme noemt: de angst van de elite voor de meute. Het van bovenaf opleggen van een canon, of roepen om een elite die het voortouw moet nemen, waarna alles vanzelf weer goed komt, is daarbij een voorbeeld van bedrijfseconomisch simplisme, van in- en outputdenken. Als we maar blijven tetteren dat Bach de grootste is, slikken de mensen hem vanzelf. Ook elders in de samenleving klinkt de roep om meer autoriteit, om normen en waarden.

Maar onder het mom van normen de oude monocultuur uit de jaren vijftig in ere willen herstellen, is een doodlopende weg. Er is eenvoudigweg teveel veranderd. De oude culturele hiërarchie paste bij de toenmalige standenmaatschappij, en die is verdwenen.

“Ik heb veel sympathie voor het betoog van mensen die de culturele hiërarchie in ere willen herstellen“, zegt cultuurfilosoof Kees Vuyk, directeur van het Theater Instituut. “Alleen: het kan niet. De cultuur van de Europese elite heeft altijd berust op het verleden, de traditie. Het zijn de kunstenaars zelf die daar eind twintigste eeuw mede een eind aan gemaakt hebben; de balans sloeg door naar vernieuwing.“

“De sociaal-culturele veranderingen die de hoge cultuur gedurende de twintigste eeuw hebben ondermijnd, zijn zo fundamenteel dat de teloorgang van het vroegere culturele regime onomkeerbaar is“, zegt ook Susanne Janssen, bijzonder hoogleraar sociale aspecten van Kunst, Cultuur en Media aan de Erasmusuniversiteit.

Zoals vaker bij nostalgie, berust heimwee naar die ene onwrikbare hiërarchie bovendien op een misverstand: vijftig jaar geleden zag het culturele leven er veel schraler uit dan nu. Schouwburgen speelden alleen het ijzeren repertoire in klassieke ensceneringen. De laagste sociale klassen kwamen nog veel minder in een museum dan in het huidige CKV-tijdperk (het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming dat in twee van de vier eindexamenprofielen verplicht is). Boekhandels en bibliotheken waren ontoegankelijke instellingen, schrijft Paul Schnabel in een verhelderend nummer van Boekman , het tijdschrift van de Boekmanstichting over hoge en lage cultuur (Winter 2005). Dat voor de revolutie van de jaren zestig de meute, om met Margalit te spreken, de hoge cultuur was toegedaan, blijkt dus niet waar. De meute had geen tv-zendtijd tot haar beschikking en de meute maakte minder versterkt lawaai, dat wel.

In datzelfde tijdschrift beschrijft Susanne Janssen de cultureel-maatschappelijke veranderingen in Nederland sinds de jaren zestig. Net als de samenleving is kunst gedemocratiseerd en gedifferentieerd. De hiërarchie van smaak, waarin hoog opgeleiden van complexe, hoge kunst hielden en laag opgeleiden van amusement, is afgebrokkeld. Over het algemeen is het opleidingsniveau omhooggegaan en daarmee het peil van de cultuurconsumptie; de stuiverroman is vervangen door de nieuwe Nicci French of Harry Potter - geen hoogstaande literatuur, maar ook geen simplistische pulp. Hoog opgeleiden zijn zich in toenemende mate gaan gedragen als culturele omnivoren; ze wisselen een trash-film af met de nieuwe roman van J.M. Coetzee. Omgekeerd is er gezonken cultuurgoed: in de soap worden verhaallijnen dooreengeweven - ooit een literair en later een cinematografisch novum.

Alleen laag opgeleiden zijn bij hun eigen dieet van strikt amusement gebleven. Voor hen is de keus sinds de jaren zestig inderdaad veel groter geworden, maar dat geldt voor hoger opgeleiden ook. Bij jongeren heeft de opkomst van jeugdcultuur na '68 de oude culturele hiërarchie van hoge en lage kunst doen verdwijnen, maar dat betekent niet dat de hiërarchie zelf of de culturele interesse is verdwenen. Integendeel, jongeren organiseren zich volgens Janssen in voortdurend wisselende “smaakculturen' die vooral draaien om muziek en mode, maar die zeer ingewikkeld kunnen zijn. Tegelijkertijd eet iedereen, oud en jong, hoog en laagopgeleid, uit de grote ruiven van enerzijds de Amerikaanse (zoals de filmcyclus The Matrix) en anderzijds de nationale (Hazes) massacultuur.

Meer sociale gelijkheid, meer keuzevrijheid - hoogleraar Janssen duidt de veranderingen vooral positief . “Ik heb weinig affiniteit met die hardnekkige, in intellectuele kringen breed gedragen verheerlijking van het culturele verleden, die ook een idealisering van de bijbehorende standenmaatschappij impliceert“, zegt ze.

Janssens bevindingen komen overeen met de intuïtie van de Amerikaanse journalist John Seabrook, die de smaak van tegenwoordig een aantal jaren geleden al onnavolgbaar beschreef in Nobrow, the culture of marketing, the marketing of culture. Seabrook legt de oorzaak van de veranderingen vooral bij de consumptierevolutie. Wat vroeger voor kunst als waardevol gold: complexiteit en vernieuwing-binnen-traditie (highbrow), is vervangen door een economische hiërarchie die iedereen kan aanvoelen. Exclusiviteit, authenticiteit en nieuwheid gelden nu als waardevol. Vandaar onze cultuur van hypes. In deze wereld van Nobrow, schrijft Seabrook, heerst een “hierarchy of hotness'.

Zo vangt Seabrook in een notendop een omvangrijke ontwikkeling die zich niet beperkt tot cultuur: het doordringen van marktdenken tot alle terreinen van het leven, inclusief de bij uitstek niet-materiële terreinen, zoals ons culturele leven en het bijbehorende culturele waardenpatroon. Ondanks de pessimistisch stemmende titel van zijn boek, is ook Seabrook er niet helemaal zeker van wat hij hiervan moet denken. Enerzijds treurt hij erom dat veel kennis, traditie en schoonheid zo verloren lijken te gaan, en schrikt ook hij van de platheid die de economisering van cultuur met zich meebrengt. Anderzijds is hij er niet rouwig om dat het hek om de elite van smaak, die immers ook altijd een elite van geld was, is neergehaald. En dat de smaak van andere welstandsklassen en andere bevolkingsgroepen ook een kans maakt op canonisering is soms niet minder dan een verrijking.

Het is even slikken, maar volgens Seabrook is klassieke cultuur in feite al een subcultuur geworden: de subcultuur van blanke hoogopgeleiden. Het slechte nieuws is dus dat de hoge elitecultuur niet langer aan de top staat van een piramide - de piramide is namelijk verdwenen. Het goede nieuws is dat jonge mensen met weinig opleiding en weinig status tegenwoordig hun eigen culturele keuzes maken en actief zoeken naar cultuur die hun iets zegt. Onveranderd, maar prominenter in beeld dan vroeger, lijkt tenslotte het gedrag van een onderklasse die geen of enkel massacultuur consumeert en die - en dat is erger - ook buiten het bereik van goed onderwijs lijkt te vallen.

Kees Vuyk, de directeur van het Theater Instituut, wijst erop dat kunstenaars in deze veranderde maatschappelijke situatie worstelen met hun relevantie. Bij de oude culturele hiërarchie, zegt Vuyk, paste de vanzelfsprekende laboratoriumfunctie van de avant-garde. Maar vernieuwing op zichzelf is in de huidige, voordurend veranderende maatschappij geen relevant streven meer; het maakt de kloof tussen de kunstenaar en zijn publiek bovendien groter dan die al is. “Kunstenaars zijn in mijn ogen doorgeschoten in hun individualisering, in het persoonlijk experiment“, zegt Vuyk. “Van dat spoor moeten we af. Vernieuwing wordt teveel gezocht in vorm, te weinig in thematiek. Terwijl dat nu juist is waar de samenleving nu behoefte aan heeft. Nieuwe thema's.“

De hoge kunst redt het niet zonder steun in de rug - dat is haar nooit gelukt. Maar een andere tijd en een andere samenleving vragen om een andere legitimatie voor de bescherming van kunst. “Door globalisering en individualisering is een heel andere maatschappij ontstaan waarin nog maar weinig vastligt“, zegt René Boomkens, hoogleraar sociale- en cultuurfilosofie aan de universiteit van Groningen. “In de algehele verwarring weet niemand, ook de overheid niet, wat nou bescherming verdient en wat niet.“ Gevraagd naar zo'n nieuwe legitimatie om hoge kunst te beschermen hoeft Boomkens niet lang na te denken. “Diversiteit, en het experiment. Beide komen in de verdrukking als de markt zijn gang kan gaan, en beide dienen dus door de overheid beschermd te worden. De markt is zeker niet de bron van alle kwaad, zelfs integendeel. Maar als de overheid marktdenken overneemt, in plaats van er tegenwicht aan te bieden, leidt dat tot verlies. Het mediabeleid is daarvan een goed voorbeeld.“

Marktrelativisme, een duidelijke afbakening van terreinen waar de markt geen invloed mag krijgen, lijkt daarom een voorwaarde voor het behoud van hoge cultuur. De overheid lijkt op dit punt achter te lopen. Veel Nederlanders relativeren het geloof in de markt allang. Ze zijn ten volle bereid wat economische groei in te leveren ten gunste van een zinvoller bestaan, zo bleek in 2004 uit een onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau over toekomstverwachtingen in Nederland. Meer dan naar meer welvaart is men op zoek naar bezieling, vervulling, kortweg geluk.

“Wat we nodig hebben“, zegt Kees Vuyk, “is een nieuwe hiërarchie van culturele waarden die bij onze tijd past. Dat is beter dan een restauratie van de oude ordening.“

Rest de vraag wat dat voor kunst is, kunst die bezielt, kunst die waarde heeft voor de maatschappij die wij nu kennen. In een uitgave van het Nederlands Architectuur Instituut typeerde René Boomkens de grote vraag van deze tijd als een zoektocht naar het collectief. We zijn het individualisme voorbij. Engagement betekent nu: een antwoord zoeken op de vraag wat mensen bindt in een maatschappij die soms het meest wegheeft van een “conglomeraat van autisten' (de uitdrukking komt van de Schotse muzikant en webcolumnist - van Wired Magazine - Momus).

“Relevante kunstenaars van nu“, zegt Vuyk, “zijn in mijn ogen kunstenaars die verbanden leggen. Tussen verschillende publieksgroepen, tussen mensen van verschillende afkomst of opleidingsniveau. Of tussen verschillende maatschappelijke verschijnselen. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is gelaagdheid. Als een kunstwerk in staat is om simultaan verschillende mensen op hun eigen niveau aan te spreken, gebeurt er iets zinnigs. Een film als Shouf shouf, habibi wist door een knap gebruik van ironie en understatement publieksgroepen met elkaar te verbinden. Hij bracht mensen met elkaar in gesprek. Individuele politici zouden zich actief voor dit soort kunst kunnen uitspreken. Het Thorbecke-principe, de regel dat de overheid zich niet met de inhoud van kunst bemoeit, is doorgeslagen tot op het punt van onverschilligheid.“

Ik denk aan het succes van In Europa en De Eeuw van mijn Vader van Geert Mak, boeken waarin de schrijver de verwantschap benadrukt tussen generaties en volkeren. Aan jonge theatergezelschappen die voorstellingen maken over zware maatschappelijke thema's, en daaromheen debatten organiseren. En aan het jonge publiek dat met gespitste oren niet alleen die voorstellingen volgt, maar ook de debatten - over religie, zelfmoordterrorisme of medische ethiek. Ik denk aan de hoogst elitaire, maar ook succesvolle voorstelling Platform van NTGent, het gezelschap van Johan Simons, over de vraag of liefde en menselijkheid iets kunnen betekenen, als een samenleving niets meer is dan een markt.

Ik gooi mijn kuil van cultuurpessimisme dicht, besluit ik, zolang de kunst zichzelf nog opnieuw kan uitvinden. En zolang het publiek kunstenaars die iets te zeggen hebben vaak heel goed herkent.

Nu nog alleen een overheid die hen de kans geeft dat te doen.

    • Maartje Somers