Zwijgen of het graf

Vandaag begint de zaak tegen Willem Holleeder.

Volgens Justitie perste hij vier vastgoedhandelaren af. Twee van hen zijn dood. De andere zwijgen.

Het is de verrassing van zijn leven, en niet de meest aangename. In september 1998 staat de rijzige gestalte van Willem Holleeder voor de deur van vastgoedhandelaar Rolf Friedlander in de Amsterdamse Daelenbroekstraat. Een uiterst innemende en vriendelijke Holleeder komt Friedlander waarschuwen. Zijn zoon Daniël zou een relatie hebben aangeknoopt met ene Sanne. En laat dat nou net het vriendinnetje zijn van een invloedrijke Joegoslavische crimineel in de Amsterdamse onderwereld. Hij zou zeer verdrietig zijn geweest toen zijn meisje het overspel had bekend. Het probleem kon worden opgelost, maar dan moest Friedlander wel betalen.

Kort daarna komt Holleeder weer langs. Dit keer met Sam Klepper en John Mieremet, twee criminelen die in de Amsterdamse onderwereld berucht zijn wegens hun gewelddadige aard. Klepper en Mieremet bedreigen Friedlander in zijn woning met geweld als hij niet snel een half miljoen euro betaalt. Niet veel later komen weer twee andere onderwereldfiguren langs om zogenaamd te bemiddelen, waarbij ze de vastgoedhandelaar adviseren om Klepper en Mieremet te betalen. Of Friedlander betaald heeft, is niet helemaal duidelijk, maar een jaar later krijgt hij nog een waarschuwing. Dit keer werd zijn huis beschoten.

Het incident met Friedlander, in het criminele milieu bekend als de Joegoslaven-truc of de truc met het gangstermeisje, staat in het dossier tegen de bende van Holleeder. De man die naam maakte met de ontvoering van Freddy Heineken en diens chauffeur in 1983, moet zich vandaag met zes andere verdachten melden bij de rechtbank Haarlem voor de eerste openbare zitting in deze zaak.

Een andere verdachte die justitie graag voor de rechter had willen brengen is John Mieremet. Maar hij werd 2 november vorig jaar geliquideerd in Thailand. Mieremet was tot zijn liquidatie naast Willem Holleeder hoofdverdachte in het afpersingsonderzoek. Ze opereerden eind jaren negentig samen, met afpersing als een van de belangrijkste inkomstenbronnen. Samen ontwikkelden ze volgens justitie de methode Holleeder: inpalmen, vastbijten en uitknijpen. In een geruchtmakend interview in de Telegraaf in 2002 omschreef Mieremet – op dat moment in onmin met Holleeder – de afpersingsmethode waarvan Friedlander het slachtoffer is geworden.

In het Holleeder-dossier zitten naast de Friedlanderzaak nog drie andere afpersingsgevallen en vier gevallen van zware mishandeling. Naast Friedlander zou de bende ook de vastgoedhandelaren Willem Endstra, Kees Houtman en John Wijsmuller hebben afgeperst. Endstra en Houtman stierven een gewelddadige dood, maar hebben wel met de politie over hun afpersing gesproken. Endstra zelfs zeer uitgebreid. Hij voerde 15 gesprekken met de criminele inlichtingeneenheid van de Amsterdamse politie. Gisteren werd bekend dat hij ook nog gesprekken heeft gevoerd met de Rijksrecherche en officier van justitie Koos Plooy. De ruim 200 pagina’s tellende verklaring is zelfs in boekvorm gepubliceerd door twee journalisten van Het Parool.

De verklaringen van Endstra, die hij tussen maart 2003 en januari 2004 aflegde, vormden de start van het onderzoek naar Holleeder en zijn medeverdachten. De waarde van deze gesprekken als bewijsmateriaal zal een belangrijk strijdpunt zijn tussen het openbaar ministerie en de advocaten van de verdachten. In het justitie-onderzoek is dan ook veel energie gestopt in het vinden van aanvullend bewijsmateriaal. En niet zonder succes. Zo is er veel ondersteunend bewijs gevonden voor de gedetailleerde beschrijving die Endstra heeft gegeven van de afpersing van Friedlander en Wijsmuller.

Zo is er een getuige die de bedreiging van Friedlander door Holleeder, Klepper en Mieremet in 1998 heeft gezien. Verder is aanvullend bewijs gevonden in telefoontaps en verklaringen van een aantal andere getuigen. Ook beschikt het openbaar ministerie, zo blijkt uit het dossier, over een brief van een anonieme afzender waarin wordt gemeld dat Holleeder vrienden en zakenrelaties van Endstra afperst. De slachtoffers zouden hierover zwijgen, omdat ze bang zijn dat zij of hun familie wordt doodgeschoten.

Het zwijgen van de slachtoffers van de Holleeder-bende is voor het justitie een moeilijk punt in het onderzoek. Waarom heeft Endstra nooit aangifte willen doen? Was de bedreiging zo groot of hadden de vermeende slachtoffers andere redenen om te zwijgen? In het geval van Endstra zal daar door de verdediging zeker een punt van worden gemaakt. Uit de Endstra-tapes blijkt dat de vastgoedmagnaat voor een groot aantal bekende criminelen geld heeft belegd in vastgoed. Holleeders advocaat Bram Moszkowicz stelt zelfs dat hij aanwijzingen heeft dat Endstra zelf opdracht gaf voor liquidaties.

Voor andere slachtoffers lijkt angst het belangrijkste motief te zijn geweest om te zwijgen. De bedreigingen gingen na de moord op Endstra namelijk gewoon door, zo blijkt uit het dossier. De advocaat van John Wijsmuller is vorig jaar door het openbaar ministerie benaderd met de vraag of de bedreigde vastgoedhandelaar een verklaring wilde afleggen. Zijn reactie op dat verzoek zegt volgens het openbaar ministerie alles over de maffiapraktijken van Holleeder en zijn bende. Een observatieteam van de recherche luisterde vlak na het verzoek aan Wijsmullers advocaat een gesprek af tussen Wijsmuller en een de handlangers van Holleeder. Wijsmuller liet zijn afpersers weten dat hij niets zou gaan zeggen. Hoe effectief kunnen angst en druk zijn? Ondanks acht getuigenverklaringen en ondersteunend financieel bewijs over de afpersing van Wijsmuller zwijgt de vastgoedhandelaar tot op de dag van vandaag.