‘Zorg voor buffers en marges’

Nederland is een grillige economie geworden, met een beleid dat pieken en dalen enkel versterkte. Dat moet eindigen, stelt president Wellink van De Nederlandsche Bank.

President van De Nederlandsche Bank Nout Wellink Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Nout WEllink FOTO: Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

„Het gaat goed met de economie, maar de risico’s zijn groot.” Met die boodschap kwam het Internationaal Monetair Fonds vorige maand, en Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank, is de eerste om dat te onderschrijven. Ook de Nederlandse economie gaat een topjaar tegemoet, maar, zo stelt Wellink aan de vooravond van de presentatie van het jaarverslag van de centrale bank, het is nu zaak minder gevoelig te worden voor de luimen van de wereld om ons heen. Want zoals het de laatste vijftien jaar is gegaan, was het niet optimaal. „Als je naar Nederland kijkt in de afgelopen vijftien jaar, dan zie je een volatiele economie met een procyclisch beleid.” Eerst waren er de vette jaren negentig, toen de welvaart niet op leek te kunnen en krapte de prijzen extra omhoog joeg. Daarna waren er de magere jaren, waar pas onlangs een eind aan gekomen is.

De Nederlandsche Bank heeft er onderzoek naar gedaan, en Wellink onderscheidt de drie belangrijkste boosdoeners. Allereerst zijn er de huizenprijzen, die in de jaren negentig fors stegen. Daarna vlakte de stijging af. Stijgende woningprijzen geven een impuls aan de consumentenbestedingen, omdat huiseigenaren hun papieren rijkdom deels te gelde maken en uitgeven. Maar als een verdere stijging uitblijft, en zelfs als de stijging minder is dan vorig jaar, dempt de woningmarkt de groei van de bestedingen al.

Tweede factor zijn de pensioenpremies. Toen het goed ging op de beurzen, daalden de premies in Nederland en kwam er extra geld vrij voor bestedingen. Maar toen de zeepbel op de beurzen spatte en de rente fors naar beneden ging, moesten de premies juist fors worden opgeschroefd om de ontstane gaten in de pensioenverplichtingen te vullen. Onderzoek van de centrale bank wijst uit dat de afnemende overwaardeverzilvering en het opschroeven van de pensioenpremies in de periode 2001-2004 tussen de 0,75 en 1 procentpunt aan economische groei hebben gescheeld. Wel hebben ze natuurlijk in de periode daarvóór juist voor extra groei gezorgd.

Derde factor is het procyclische begrotingsbeleid. Als er geen expansief beleid zou zijn geweest rond het millennium, en dus ook geen bezuinigingen daarna, dan zou het begrotingstekort in 2003 volgens Wellink rond de 1,75 procent hebben bedragen. In plaats daarvan kwam het tekort dat jaar uit boven 3 procent, en moest er extra hard worden gesnoeid, hetgeen de economische groei ook nog eens drukte.

Nu is aan de conjunctuur niet te ontkomen, maar de uitslagen naar boven en beneden die Nederland doormaakte waren groot. Onwenselijk groot, vindt Wellink. En dus wordt het zaak om buffers in te bouwen die zorgen dat de wilde beweging van de economie wordt getemd. Zeker omdat de internationale omgeving niet zonder risico’s is. Wellink noemt de inmiddels usual suspects: de olieprijzen, het tekort op de Amerikaanse betalingsbalans en de lage rentes op de kapitaalmarkt. „Die kun je niet beheersen. Dat vind ik een ijzersterk argument om buffers aan te houden en te zorgen dat je marges hebt.” Dat geldt voor het begrotingsbeleid, dat stabiliserend moet werken en mede door de toekomstige kosten van de vergrijzing gericht moet zijn op een overschot van 1 tot 2 procent. Het geldt ook voor de pensioenpremies, die stabieler gehouden moeten worden in voor- en tegenspoed. En het geldt voor de arbeidsmarkt, waar hervormingen de flexibiliteit moeten vergroten. Het gaat ook op voor het overheidsbeleid zelf, vindt Wellink. De omgeving van Nederland verandert sneller, zegt hij, en dan is er al snel de prikkel om in te grijpen. Maar juist stabiliteit is geboden.

En de huizenmarkt? Wellink wil af van de verstorende werking van de hypotheekrenteaftrek, maar dan wel geleidelijk en op een lange termijn. De overheid heeft een belofte gedaan aan huizenbezitters, en kan die niet zomaar verbreken. Maar lang kan het niet meer doorgaan. De rente is nu laag, maar als die stijgt dan wordt de renteaftrek nog nadeliger voor de overheidsfinanciën. En het oorspronkelijke doel, het bevorderen van het eigenwoningbezit is in de praktijk niet te herleiden tot renteaftrek.

Wellink pleit voor het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek in een periode van vijftien tot twintig jaar, misschien wel dertig jaar. De individuele consequenties zouden zo beperkt mogelijk moeten worden gehouden, door een verstandig overgangsregime en het terugsluizen van vrijkomende middelen. Voorzichtigheid is gebonden want „de woningmarkt, die wil je niet om zeep helpen”. Wellink haalt het Verenigd Koninkrijk aan, waar 25 jaar is genomen om de aftrek af te bouwen. Daar gebeurde het onder meer door een maximumbedrag in te stellen. „Stel dat Nederland in de jaren zeventig het plafond had gesteld op 200.000 gulden. Dan was je er rimpelloos ingegaan.”

Eén motief moet vermeden worden met een hypotheekmaatregel, en dat is dat er tegelijkertijd inkomenspolitiek mee wordt bedreven. De ‘perverse’ subsidie die arm geeft aan rijk via de hypotheekrenteaftrek werd door PvdA-voorman Wouter Bos twee weken geleden aan de kaak gesteld. Wellink wil daar niet rechtstreeks aan refereren, maar zegt wel dat „een ingreep in de hypotheekrente buiten de inkomenspolitiek moet worden gehouden”. Dat inkomensnivellering een tweede doel is van zo’n ingreep is volgens de bankpresident niet zuiver.

    • Maarten Schinkel