Ode van 150 miljoen aan Mercedes-Benz

Mercedes-Benz – het trotse uithangbord van de Duitse auto-industrie bestaat 120 jaar. Architect Ben van Berkel ontwierp een museumgebouw waarin verleden en heden van Mercedes zijn samengebracht. Kosten: 150 miljoen euro.

Enkele van de beroemde compressor-sportwagens van Mercedes van voor de oorlog. (Foto Daimler Chrysler) Daimler Chrysler

Met deelname aan Formule-1-races communiceer je als autofabrikant op dynamische wijze je technische kennis. Sportsponsoring is goed voor je algehele imago en naamsbekendheid. Bij de Duitse autoproducent DaimlerChrysler hebben ze die boodschap goed begrepen.

Maar hoe kunnen de prestigieuze Europese merken de wereld nog kenbaar maken waarvoor ze staan nu de komende weken tijdens het wereldkampioenschap voetbal de naam Hyundai langs alle Duitse voetbalvelden prijkt?

Het zou daarom best wel eens kunnen dat de recente investering van DaimlerChrysler in het gloednieuwe Mercedes-Benz-museum een koopje zal blijken. 100 miljoen euro kostte het door de Nederlander Ben van Berkel (onder meer bekend van de Erasmusbrug) ontworpen gebouw, plus nog eens zo’n 50 miljoen voor de inrichting.

Dat is groot geld, maar het museum staat er blijvend en heeft daardoor meer waarde dan de vier weken die Hyundai geniet van zijn nauwelijks minder kostende sponsoring van het WK-voetbal.

De Duitse auto-industrie – Mercedes-Benz in het bijzonder – heeft ook alle reden het eigen verleden te belichten en zich met traditie en historie als toegevoegde waarde af te zetten tegen nieuwkomers. Het is in 2006 precies 120 jaar geleden dat Gottlieb Daimler en Carl Benz – toen nog onafhankelijk van elkaar opererende pioniers – voor het eerst in een automobiel rondreden.

Het huidige concern – in 1926 ontstaan door een fusie van Benz en Daimler en vervolgens door de overname van Chrysler in 1998 DaimlerChrysler genaamd – heeft het eigen verleden altijd gekoesterd. Gottlieb Diamler had in 1923 al een collectie historische modellen verzameld en in 1961 opende Daimler-Benz naast het hoofdkantoor in Stuttgart-Untertürkheim een compleet fabrieksmuseum. Andere merken deden hetzelfde, zoals Peugeot in Sochaux, en Fiat in Turijn.

Ze toverden hun oudste fabriekspanden om tot knusse musea waar in het geval van Peugeot de geschiedenis teruggaat tot de dagen dat deze familie van vroege industriëlen nog koffiemolens en paraplubaleinen maakten. BMW en Audi bleven niet achter en besteedden de laatste jaren miljoenen aan het verzamelen van hun erfgoed – en lieten zelfs replica’s bouwen van beroemde modellen.

Volkswagen kocht, nadat de vorige bestuursvoorzitter Ferdinand Piëch de merken Bugatti, Bentley en Lamborghini had verworven, in korte tijd een aantal zeldzame en kostbare topstukken van die merken.

Maar geen concern gaat in de bescherming van de bedrijfscultuur zo ver als DaimlerChrysler met het merk Mercedes-Benz. In Felbach, een voorstad van Stuttgart, werkt een twintigtal specialisten dag in dag uit aan onderhoud en restauratie van zeldzame erfstukken.

Soms van klanten, zoals de voor de oorlog door Adolf Hitler aan Franco geschonken machtige Mercedes-Benz 770 K, tegenwoordig nog altijd in bezit van het Spaanse koningshuis. Maar vooral de 600 (!) historische auto’s tellende eigen collectie krijgt alle aandacht. Spectaculaire showmodellen uit de jaren zeventig, beroemde racewagens van vijftig, zestig of nog meer jaar geleden maar ook recente modellen: alles wordt tiptop in rijdende staat gehouden. Om te kunnen worden uitgeleend voor promotionele presentaties of oldtimer-evenementen. Van de beroemdste auto’s heeft men vaak twee exemplaren: één om af te doe mee te rijden en één voor het museum.

Daar staan vanaf 19 mei, wanneer bondskanselier Angela Merkel het Mercedes-Benz-cultuurpaleis naast de fabriekspoort van Untertürkheim opent, 160 topstukken, geflankeerd door 1.500 aan de geschiedenis gerelateerde objecten. Er worden 750.000 bezoekers per jaar verwacht.

De allereerste gemotoriseerde koetsen uit het laatste decennium van de 19de eeuw zijn antiquiteiten van onschatbare culturele waarde, terwijl de mond openvalt bij het aanschouwen van de beroemde en vooral impostante K en SSK compressor-sportwagens, met voorop de glanzende radiateurs als gevels van klassieke bouwwerken.

De 300SL sportcoupé vormt een hoogtepunt in de Mercedes-historie. Dirigent van het Berliner Philharmoniker Herbert von Karajan en de Aga Khan reden er eind jaren vijftig mee rond in mondaine oorden als Sankt Moritz. De 300 SL was hét symbool van het Duitse Wirtschaftswunder.

    • Wim Oude Weernink