‘Minder studierichtingen op universiteit’

Investeer in wetenschappelijk talent en kijk kritisch naar de wildgroei aan studierichtingen, aldus president Van Oostrom van de Akademie van Wetenschappen.

Extra geld voor toponderzoek aan universiteiten is niet verkeerd besteed, maar er zijn te weinig jonge wetenschappers. Die jonge mensen raken bovendien verstrikt in een te groot aanbod aan opleidingen. Dat zei president Frits van Oostrom van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) begin deze week in zijn jaarrede, die vanaf dit jaar opiniërend en op persoonlijke titel is.

De afnemende rol van de ‘eerste geldstroom’, de eigen bestedingsruimte van de universiteit, vormt de kern van het betoog van Van Oostrom: „Ik wil een lans breken voor versterking van de eerste geldstroom. (...) Een gezonde eerste geldstroom is een noodzakelijke voorwaarde voor het fundament der wetenschap, voor continuïteit, voor ware innovatie.”

Terecht, oordelen de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). Het is in ons belang, zegt een NWO-voorlichtster, dat het geld dat wij verdelen naar toponderzoek gaat. „Daarvoor is een brede basis nodig aan de universiteiten. Net als in de sport: breedtesport is een noodzakelijke voorwaarde voor topsport.”

Secretaris Véronique Timmerhuis van de AWT noemt een structurele basisfinanciering „van groot belang” voor het Nederlandse onderzoeksklimaat. „Wij pleiten al jaren voor een sterke eerste geldstroom. Daarbij vinden we dat de eerste geldstroom geen terrein meer mag verliezen aan de andere geldstromen, zoals de afgelopen jaren is gebeurd. Anders komt de basistaak van universiteiten onder grote druk te staan.”

Van Oostrom oordeelt in zijn rede positief over de inzet van de AWT voor de eerste geldstroom. Voor andere organisaties in het hoger onderwijs, zoals de vereniging van universiteiten (VSNU), is hij niet mild. Alom heerst het beeld, aldus de KNAW-president in zijn rede, doelend op de dertien universiteiten, „dat onze eerste geldstroom neerkomt op dertien bodemloze putjes – en noch OCW (het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, red.) noch VSNU lijkt bepaald effectief in het bestrijden van die karikatuur.”

Ook bekritiseert de Akademie-president het feit dat de VSNU niet precies kan zeggen hoeveel geld van de eerste geldstroom naar onderzoek gaat, en hoeveel naar onderwijs.

Dat is inderdaad niet te zeggen, aldus VSNU-voorzitter Ed d’Hondt in een reactie, doordat de universiteiten er een zogeheten ‘lumpsumfinanciering’ op nahouden. Dat betekent dat de instellingen het geld dat ze krijgen naar eigen inzicht moeten verdelen, zonder rekening te hoeven houden met overheidsrichtlijnen die voorschrijven hoeveel geld aan onderwijs of onderzoek moet worden besteed. D’Hondt: „Soms komt het wel eens voor dat universiteiten onderwijs financieren met geld dat ze eigenlijk voor onderzoek hadden bestemd. Dat is ook logisch, want wat moet je anders als je studentenaantal drastisch toeneemt?”

Véronique Timmerhuis van de AWT wenst de „karikatuur” van universiteiten als bodemloze putjes te bestrijden. „De kwaliteitszorg is goed geregeld. Alleen de transparantie zou beter kunnen.”

D’Hondt noemt de jaarrede van Van Oostrom „een mooi pleidooi”, maar vindt dat het verhaal de nodige realiteitszin ontbeert. Dat blijkt volgens de VSNU-voorzitter ook uit de kritiek van Van Oostrom op de begeleiding van studenten, die in gevaar zou komen doordat er te weinig docenten per student zijn. Uit de jaarrede: „Ik zou een normgetal willen bepalen voor de staf-studentratio aan Nederlandse universiteiten. Een streefcijfer van 1:15 lijkt mij wel het allerminste, en liever nog 1:10.”

Een prachtig streven, aldus d’Hondt, alleen niet haalbaar: „Dan zou er veel meer geld moeten komen voor docenten. Bovendien moet er volgens Van Oostrom meer geld naar onderzoek, maar je kunt het geld maar één keer uitgeven.”

Ook de opmerkingen van Van Oostrom over jonge wetenschappers zijn volgens d’Hondt op idealisme gestoeld. Van Oostroms jaarrede: „Het lijkt mij hoog tijd voor een majeur initiatief om jong talent te laten stoppen met zwart bordenwassen in de horeca, en [als student-assistent] mee te laten draaien in de wereld van hun eigen universiteit. Verder moeten er meer jonge gepromoveerden op beeldbepalende vaste posities worden benoemd.” Ook daar kun je moeilijk tegen zijn, aldus d’Hondt, maar dan moet wel de studiefinanciering omhoog. „Anders blijven studenten gedwongen tot bijbaantjes. Weer komt Van Oostrom met mooie ideeën, maar niet met oplossingen.”

Van Oostrom bekritiseert eveneens de wildgroei aan studierichtingen. „Het aanbod van bachelors en masters in het Nederlandse hoger onderwijs lijkt steeds meer op de menukaart van een slechte chinees”, aldus de mediëvist in zijn rede. Je kunt kritiek hebben op het grote aanbod, zegt d’Hondt, „maar alle studierichtingen zijn gevisiteerd en goedgekeurd.”

Op de door Van Oostrom aangehaalde kritiek van sommige studenten dat er te veel keuze aan opleidingen zou zijn, reageert d’Hondt laconiek: „Kun je een supermarkt verwijten dat er te veel producten in het schap staan? Het grote aanbod is alleen maar prettig zolang er maar goede voorlichting over alle mogelijke studies wordt gegeven.”

Het ministerie van Onderwijs zegt in een reactie dat een vermindering van het aantal nieuwe studies al in gang is gezet met het zogeheten ‘nee, tenzij’-beleid. Dat houdt in dat er geen opleidingen bijkomen, tenzij ze zeer innoverend zijn.

    • Derk Walters