Jeugdzorg moet anders opgezet

Het kabinet stelt 131 miljoen extra ter beschikking voor „zwaardere zorg voor kinderen met ernstige problemen” (NRC Handelsblad, 28 april). Het is niet zo moeilijk een wachtlijst kleiner te maken. Maar om echt effectief te helpen in moeilijke situaties, is andere koek. Aan het instrumentarium waarmee dat moet gebeuren ontbreken belangrijke hulpstukken.

Als in een gezin ouders en kinderen vastlopen in de opvoeding en de kinderen worden bedreigd in hun ontwikkeling, dan kan er hulp komen – jeugdhulp. Eerst komt er vrijwillige hulp. Lukt dat niet dat kan de rechter een „ondertoezichtstelling” uitspreken. Daarmee krijgt Bureau Jeugdzorg (de organisator van de jeugdhulp) het recht om zich in gezag naast de ouders te stellen en deze aanwijzingen te geven met betrekking tot de opvoeding. Dat gezag wordt uitgevoerd door een „gezinsvoogd” in dienst van dit bureau. Gaat het daarmee nog niet beter dan kan Bureau Jeugdzorg de kinderen voor een beperkte periode „uit huis plaatsen”.

De discussie gaat nu over de instrumenten die Bureau Jeugdzorg heeft om in deze periode, die vaak een jaar of drie duurt, ouders te helpen, maar ook te verleiden en heel misschien een beetje te dwingen om het huishouden en de opvoeding anders aan te pakken. Die instrumenten zijn er niet. Aan een OTS (ondertoezichtstelling) is geen stevig pakket maatregelen gekoppeld. Dit wordt wel, parallel aan de politie die naar wapens zoekt, „het gat tussen vrijwillige hulp en uithuisplaatsing” genoemd.

Het ligt voor de hand om allereerst te kijken naar de status van de gezinsvoogd. Die zou van een ander kaliber moeten zijn dan de medewerker van de vrijwillige afdeling van Bureau Jeugdzorg. Ze zou meer tijd moeten hebben, meer ervaring, meer opleiding, een ander salaris en een positie van waaruit ze andere instellingen met gezag kan aansturen. Daar schort veel aan in de huidige praktijk. Vervolgens zou een gemeente deze gezinsvoogd meer bevoegdheden kunnen geven. Bevoegdheden ten opzichte van gemeentelijke diensten die gaan over geld (bijstand), woning en werk en directe toegang tot kinderopvang, psychiatrie en verslavingszorg. Een gezinsvoogd heeft dan echt iets te bieden, maar kan ook echt iets afpakken – en niet alleen het kind.

Ten tweede zou Bureau Jeugdzorg een afdeling bewindvoering op kunnen richten. Wanneer financiële problemen de opvoeding overwoekeren zou de rechter gevraagd kunnen worden om tegelijk met de OTS de ouders tijdelijk financieel „onder bewind te stellen”.

De gezinsvoogd en de bewindvoerder zouden in een daarop ingestelde organisatie samen op kunnen trekken. Zo’n afdeling zou ook mildere vormen van budgetteringshulp aan de onder toezicht gestelde gezinnen kunnen verstrekken.

De gezinsvoogd krijgt bij een OTS mede het gezag over de opvoeding, naast de ouders. Wat ligt meer voor de hand dan, als derde maatregel, de gezinsvoogd mede de beschikking te geven over de kinderbijslag? Die zou, op het moment van de OTS, in een potje gestopt kunnen worden dat de ouders samen met de gezinsvoogd moeten aanwenden in het belang van het kind.

Iedere gemeente zou samen met haar Bureau Jeugdzorg de positie van de gezinsvoogdij op dit soort manieren aanzienlijk kunnen gaan verbeteren. Dat zou een goede besteding zijn van deze 131 miljoen euro.

Frank van den Berg en Ernst Bouweriks zijn werkzaam als respectievelijk psycholoog en manager in de jeugdzorg, ze werken voor adviesbureau Pro Ago, en voor de Rinogroep Utrecht.

    • Ernst Bouweriks
    • Frank van den Berg