Je huidskleur haalt je altijd in: slavernij vroeger en discriminatie nu

Onze vriendin Danielle had gisteren even geen tijd voor Jacques Chirac en Dominique de Villepin. Terwijl de president en zijn premier handen stonden te schudden in de Jardin du Luxembourg, bleef Danielle even verderop maar over bevriende ruggen wrijven. Kijk, daar, oude vrienden uit Martinique. En daar, uit Guadeloupe, dat andere Frans-Antilliaanse eiland, waar ze zelf bijna zeventig jaar geleden geboren is. En daar, uit Frans Guyana. Daar heeft ze nog gewerkt.

De nakomelingen van slaven die gisteren in Parijs waren voor de eerste nationale herdenking van de slavernij kwamen van overal. Ze hadden de keuze. Ook in slavenhandelssteden als Nantes en Bordeaux waren herdenkingen.

Frankrijk schafte de slavernij gisteren op dertien dagen na precies 158 jaar geleden af. Rare datum voor een herdenking? Niet voor president Jacques Chirac. In januari koos hij voor 10 mei, omdat Frankrijk nu precies vijf jaar geleden, als eerste land ter wereld de slavernij bij wet erkende als een misdaad tegen de menselijkheid. „Frankrijk heeft andere naties de weg gewezen”, zegt Chirac.

Héél het verleden, inclusief de schaduwzijden, in ogenschouw nemen noemde Chirac gisteren de „sleutel” voor maatschappelijke samenhang vandaag. Slavernij is er altijd geweest, maar de vier eeuwen westerse slaveneconomie waren ingrijpender. Een systematisch, wereldwijd project van „ontmenselijking”. Afrika is er door leeggezogen. En ter rechtvaardiging werd een ideologie bedacht die nog springlevend is: juist de slavenhandel heeft „vorm gegeven aan de meest onverdraaglijke racistische stellingen”.

Voilà, plechtige woorden van de president die bedoeld zijn voor de geschiedenis. Weliswaar stond een socialistisch parlementslid, Chistiane Taubira, in 2001 aan de wieg van de wet die slavenhandel de status gaf van misdaad tegen de menselijkheid. Maar Chirac heeft zich sindsdien vol overgave met de ereschuld vereenzelvigd.

Een medewerker in Chiracs paleis noemde de erkenning van de historische last van de slavernij als een van de eerste onderwerpen om van zijn presidentschap te onthouden. Net als zijn erkenning dat Vichy een onlosmakelijk deel is van het Franse verleden. Chirac wil herinnerd worden als een humanistische president, met oog voor menselijk lijden.

Maar met de slavernij wil dat niet helemaal lukken. Na zijn rede in het park kreeg Chirac een mager applausje van de honderden genodigden. En iets later, terwijl premier Dominique de Villepin bijna omver werd geduwd door een Afrikaanse die met hem op de foto wilde, geeft Danielle haar oordeel over Chirac: „Ik had niet de indruk dat hij oprecht was.”

Enkele zinnen verder is ze alweer bij de dagelijkse realiteit. Een lichtzwarte neef die in Saint Etienne een woning zocht voor zijn gezin, moest de hulp inroepen van zijn blanke schoonouders. Zonder hun garantie geen huis. Het racisme in Frankrijk wordt niet minder met de jaren, zegt Danielle, maar is alomtegenwoordig. Dat constateerde onlangs ook de ‘Haute Autorité de Lutte contra la Discriminiation et pour l'Egalité’ (HALDE), geleid door ex-Renault-topman Louis Schweitzer.

Dat laat de slavernijherdenking niet onberoerd. Sinds een paar jaar komen er steeds meer ‘zwarte’ organisaties, die hun leden op grond van huidskleur definiëren als een gemeenschap. Zij ruzieden tot op het laatste moment over de herdenkingsdag. Het vorig jaar opgerichte platform voor verenigingen van zwarten, CRAN, wilde een feest organiseren. Het radicalere ‘Collectif’ kondigde daarop een tegenplechtigheid aan, als tegenhanger voor het ‘carnaval’. CRAN klaagde over bedreigingen, waarna het feest werd afgelast.

Het tv-journaal plaatste de herdenking ’s avonds nadrukkelijk in het licht van de l’identité noire, omschreven als een mengeling twee ervaringen: slavernij vroeger en discriminatie nu. Zo formuleerde topvoetballer Lilian Thuram het onlangs ook in een interview, onder de kop ‘Je huidskleur haalt je altijd in’. Thuram was gisteren ook in het Jardin du Luxembourg. Bijna omvergeduwd door fans die met hém op de foto wilden.

    • René Moerland