Heel Nederland kent zijn werk

In Slowakije worden de over- en regenjassen voor de Nederlandse politie gemaakt.

Door zich te specialiseren zijn ze niet bezweken onder het Chinese textielgeweld.

Directeur Matús Murajda en de regenjas van de Nederlandse politie. Alonso, Stéphane

Iedereen in Nederland heeft zijn werk wel eens gezien. Maar de naam Matús Murajda zal vrijwel niemand iets zeggen. Deze Slowaak maakt de over- en regenjassen voor de Nederlandse politie. Murajda heeft ook opdrachten gedaan voor de Koninklijke Marechaussee, de NS en het Nederlandse leger. Zijn atelier staat in Presov, in het oosten van Slowakije, 1.500 kilometer van Amsterdam. In een grote productiehal zijn tientallen dames druk in de weer met rollen stof, naaimachines en kleerhangers. Zij houden oom agent droog.

„Kopje koffie?” Murajda vraagt het in het Nederlands, terwijl hij zijn kantoor binnenloopt. Hij is de taal niet echt machtig, maar wel vertrouwd met enkele typisch Nederlandse uitdrukkingen. Bij Gemor, zoals het bedrijf van Murajda heet, is het ook erg ‘gezellig’.

„Ik hou van Holland”, zegt de Slowaakse ondernemer met een grote glimlach. In zijn bureau hangt aan de muur een staatsieportret van koningin Beatrix. Bij de koffie zit een Hollandse koffieboon. Op de gang hangen grote posters van tulpen, molens en klompen. Buiten wappert het rood-wit-blauw, naast de Slowaakse vlag. Thuis heeft hij een oranje tennistenue in zijn garderobe. Alleen zijn vrouw is Slowaaks. „Wij hebben de mooiste vrouwen ter wereld.”

Twintig jaar geleden was Nederland de vijand. Slowakije zat achter het IJzeren Gordijn en heette Tsjechoslowakije. Op een dag stond de vijand op de stoep. De Nederlandse confectionair Ton Morsman was, opgejaagd door de concurrentie uit China, in het Oostblok op zoek naar goedkope arbeid. „We hebben eerst in Polen geprobeerd, maar dat liep stuk op de mentaliteit”, zegt Morsman. Uiteindelijk kwam hij terecht bij Kogutex uit Presov, een Slowaakse staatsmoloch, die niet alleen in de textiel zat, maar ook in de autobanden. De piepjonge Murajda was daar de assistent van de directie.

„In 1986 plaatsten we de eerste order”, zegt de inmiddels gepensioneerde Morsman. „In het begin waren dat alleen maar loonorders: wij stuurden alle materialen en patronen, zij hoefden het alleen maar in elkaar te zetten.” Na de val van de Muur (1989) en de opsplitsing van Tsjechoslowakije (1993) begon Slowakije op grote schaal te privatiseren. Morsman: „We waren heel ongerust, want inmiddels hadden we veel kennis en techniek ingebracht bij Kogutex.”

De communistische directeur van Kogutex werd na de val van het communisme aan de kant geschoven. Murajda werd zijn opvolger. Hij kreeg één opdracht: Kogutex klaarstomen voor verkoop. Morsman wilde het graag van hem kopen, maar er moest verplicht een veiling worden gehouden. Morsman: „We werden overboden door een stel avonturiers. Die betaalden in onze ogen veel te veel.”

Wat nu? Morsman stelde Murajda voor om helemaal opnieuw, vanaf nul, te beginnen. „Wij zouden de orders en machines inbrengen, hij de mensen en de bedrijfsruimte”, zegt Morsman. Of zoals Murajda het zegt: „De Nederlanders hadden geld en ervaring, wij bezaten creativiteit en gretigheid.” Murajda regelde inderdaad bedrijfsruimte, bij een bevriende schooldirecteur, op de derde verdieping van een deels leegstaand schoolgebouw in Presov.

Het bedrijf met toen 60 werknemers werd Gemor gedoopt, een samentrekking van Gemini, het bedrijf van Murajda, en de naam Morsman. Op het bedrijfslogo staat een Hollandse tulp en – voor Slowakije – een lindeblad. Inmiddels werken er 240 mensen. Inclusief ‘satellietbedrijven’ in de regio geeft Gemor werk aan 600 mensen. „Het is een heel flexibel bedrijf”, zegt Morsman. „Bij grote orders kunnen de satellieten in een handomdraai worden ingeschakeld.”

Morsman had tot 1994 nog honderd mensen in Nederland werken die bedrijfskleding maakten voor de PTT. „Vanuit de oude staatsgedachte eiste de PTT dat het spul in Nederland werd gemaakt. Dat hebben we volgehouden totdat ook zij merkten dat het prijsmatig gewoon niet meer kon.” Het nog door zijn vader opgerichte bedrijf produceerde daarop bijna alleen nog in het buitenland.

In Presov kan het eigenlijk ook niet meer. „Deze streek werd ooit gedragen door chemie, staal en textiel”, zegt Murajda. „De textiel is in de jaren negentig kopje onder gegaan door de goedkope afzet uit China.” Dat Gemor nog bestaat, komt door de specialisatie van het bedrijf in producten die moeilijk in China kunnen worden gemaakt. Morsman: „Ik heb daar altijd op aangedrongen.”

„Wij doen geen ondergoed, want dat is een makkelijk te maken massaproduct”, zegt Murajda. „Maar regenjassen zijn bezwaarlijk te transporteren. Die verkreukelen makkelijk. Onze klanten hebben doorgaans ook liever dat hun product dichtbij huis wordt gemaakt. Ik zie het bijvoorbeeld niet snel gebeuren dat de Nederlandse politie haar overjassen in China laat maken.”

Gemor werkt ook voor Lacoste. „Bij dure merken moet elk stuk textiel goed zijn. Als je in China 100.000 jassen bestelt, ga je er altijd van uit dat er aan duizend iets scheelt.” Morsman: „Wij kunnen ook nog steeds veel sneller leveren. Het spul uit China moet altijd nog op de boot.”

De Nederlandse politie is speciaal naar Presov gekomen om te controleren of het gebouw van Gemor wel aan alle veiligheidseisen voldoet. „Ze sturen ons vanuit Nederland officiële politie-emblemen op, om op de kleding te bevestigen”, zegt Murajda. „Als er duizend emblemen binnenkomen, moeten er ook weer duizend emblemen vertrekken.” Gemor maakte ook overjassen voor de Zwitserse, Duitse en Belgische politie. „En op dit moment maken we 40.000 jasjes voor DHL, de koerier.”

Murajda’s oranjeliefde werd vorig jaar beantwoord. In september werd hij door Nederland benoemd tot honorair consul. Het is een erebaantje, waarvoor hij niets krijgt. Maar Murajda is er apetrots op. Hij haalt een groot perkament tevoorschijn, met zijn benoeming erop. „Die moet ik nog inlijsten.” Naast de koningin.

    • Stéphane Alonso