Gezocht: een half miljard aan schoenen

Indonesië heeft het economisch nog altijd moeilijk. Het land moet een sprong maken om de buurlanden en concurrenten de komende jaren te kunnen bijbenen.

De Grasberg-goudmijn in Indonesië, een van de grotere goudproducenten ter wereld. Het land profiteert van de hoge goudprijs. Foto AFP This hand out picture taken 17 February 2006 and made available by the Indonesian Environment Ministry in Jakarta, 24 March 2006, shows part of the Grasberg mine run by a local unit of US mining gaint Freeport McMoRan in Papua province. Indonesia's environment ministry threatened US firm Freeport-McMoRan with a lawsuit 23 March unless it cleans up its act at its mine in Indonesia's Papua, while a landslide killed three of its workers. The threat and accident are the latest headaches for the New Orleans-based company, which has faced mounting protests over its gold and copper mine in easternmost Papua province, including a clash last week that claimed six lives. AFP PHOTO/ENVIRONMENT MINISTRY/HO RESTRICTED TO EDITORIAL USE AFP

Dit is een Nederlandse droom die werkelijkheid is: mooie vooroorlogse villa’s in de geest van de Hollandse Stijl-groep en daarbinnen koopjes, alleen maar koopjes. Aan de noordkant van het oude Bandung vinden T-shirts, spijkerbroeken, jurken en ondergoed van de betere merken hun weg naar de lokale klanten. Voor een deel is het ‘van de band gevallen’ in de productiehallen, voor een deel is het nep.

Maar de dubbelzinnigheid van deze factory outlets is tekenend voor de Indonesische textiel- en schoenenindustrie. Het is het land ook na vijftien jaar niet gelukt om op deze onderste trede van de industriële ladder naast Vietnam en China een serieuze plek te veroveren. Even buiten Bandung is het beeld wisselend: hoewel ze van buiten allemaal dezelfde aanblik hebben, zijn sommige productiehallen binnen nog een toonbeeld van bedrijvigheid en staan andere er leeg en verlaten bij.

Indonesië zou kunnen profiteren van de extra invoerheffingen die de Europese Unie en de Verenigde Staten heffen op textiel uit China en Vietnam. Volgens de statistieken doet het land dat ook, maar klopt dat wel? De ervaring van Welly Karlan, een schoenproducent uit Surabaya, is illustratief. Hij werd een tijdje geleden door een Chinese collega benaderd met het verzoek om Chinees schoeisel van made in Indonesia-certificaten te voorzien. Hij kon er 500 dollar (391 euro) per container voor krijgen en met de geplande duizend containers per maand zou dat hem 0,5 miljoen dollar per maand opleveren, waar alleen nog wat ‘corruptiekosten’ vanaf moesten.

Minister van Handel Mari Pangestu geeft eerlijk toe dat ze voor een half miljard aan schoenen kwijt is. Volgens Chinese statistieken ging er voor 700 miljoen dollar aan schoenen van China naar Indonesië, volgens de Indonesische statistiek is het maar 200 miljoen. „We moeten met illegale activiteiten rekening houden”, zei ze maandag nog. Cynisch gezegd: Chinese fabrikanten verplaatsen de productie niet maar maken gebruik van een klassieke karaktertrek van Indonesië: illegaliteit.

Het beeld van de haperende industrialisatie is de ene kant van de medaille. De andere is dat het land profiteert van zijn rijkdom aan grondstoffen en van het landbouwareaal. En met de receptuur van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) – inflatiebestrijding en sluitende begrotingen – tekent zich inmiddels ook enige stabiliteit af die het land na de val van Soeharto en de Aziatische bankencrisis eind jaren negentig vele jaren node heeft gemist en die buitenlandse investeerders zo lang heeft afgeschrikt. De optelsom is er daarom één van behoedzaam optimisme met economische groei die wat achterloopt bij Azië, maar die toch telt.

Zo is het land inmiddels een van de grotere goudproducenten ter wereld en dankzij de enorme stijging van de goudprijs en andere delfstoffen, verschaft dit een financiële basis. De verslonzing van de staatsoliemaatschappij Pertamina heeft er weliswaar toe geleid dat Indonesië inmiddels een importeur van olie is geworden, maar recentelijk heeft president Yudhoyono eigenhandig de directeur ontslagen en een nieuwe concessie verschaft aan het Amerikaanse ExxonMobil voor oliewinning op Java. Verder heeft Iran plannen om vele miljarden te investeren in Indonesië om er olie te raffineren bestemd voor China.

Daarnaast is Indonesië bezig om ’s werelds grootste exporteur van palmolie te worden, een olie die niet enkel gebruikt wordt voor consumptie en verzorging maar ook als brandstof. Op Sumatra en Kalimantan zijn bedrijven en duizenden kleine boeren bezig om grond hiervoor te ontginnen.

Het Indonesische kabinet heeft een paar specifieke ambities. Het wil een economische groei van boven de 5 procent en ten minste voor 10 miljard dollar in directe buitenlandse investeringen. Dit laatste is een stijging van 10 procent vergeleken bij 2005 maar nog altijd slechts eenderde van wat in de hoogtijdagen van dictator Soeharto uit het buitenland kon worden aangetrokken. Alleen al op het gebied van infrastructuur heeft het ministerie van Economische Zaken voor alles bij elkaar 150 miljard dollar aan mogelijke projecten op de plank liggen, variërend van een monorail in Jakarta tot tolwegen op Java en Sumatra.

De grootste vijanden van deze projecten blijven corruptie, willekeur en bureaucratie. Voor zover de corruptie enigszins is verminderd, is de willekeur toegenomen. Een regionaal bestuur verzint soms van de ene op de andere dag een heffing, die weliswaar twijfelachtig is maar uiteindelijk vaak toch moeten worden afgekocht. President Yudhoyono verzuchtte onlangs dat het uitbannen van corruptie geen kwestie van een regeerperiode is, „maar van een hele generatie”. Desalniettemin lijkt de regering er werk van te maken: de televisie laat met grote regelmaat heren zien die op weg zijn naar de rechtbank.

Er is meer positief nieuws. De begroting van dit jaar kent slechts een tekort van circa 1,5 procent. De president heeft vorig jaar een verdubbeling van de benzineprijzen aangedurfd en toen rellen die volgde overleefd. De centrale bank bestrijdt met een hogerentepolitiek met succes de inflatie en de beursindex steeg dit jaar al met 17 procent. Valutahandelaren lenen goedkope Japanse yens en incasseren hoge rentes op de Indonesische rupiah, al wil een handelaar op voorwaarde van anonimiteit wel erkennen dat „we hier getuige zijn van een klassiek geval van verkeerd geprijsde risico’s”. Met andere woorden: de Indonesische economische stabiliteit is nog te fragiel om zulke spelletjes op grote schaal te spelen. Het behoedzame optimisme van internationale beleggers is vooral gebaseerd op de prijs van grondstoffen en op de stabiliteit die onder de huidige president is bereikt.

Maar de echte sprong voorwaarts – gedreven door buitenlandse investeringen en nieuwe industrie – moet nu zo langzamerhand komen, wil deze grootste economie van Zuidoost-Azië zijn buren Thailand, Vietnam en Maleisië de komende jaren kunnen bijbenen.

    • Ben Knapen