Advocatuur behoeft juridische regelgeving

Rond bevrijdingsdag verschijnen nogal eens vrome verwijzingen naar de gruwelijkheid van het Derde Rijk, ter kering van vermeende misstanden in het heden. Zo ziet (strafrecht)advocaat D.V.A. Brouwer niets in een ‘Regelgevende Raad voor de Advocatuur’ zoals bepleit door de Commissie Advocatuur. Hij is tegen elke regeling van de balie door het staatsgezag, want dat deden de nazi’s ook, met alle gevolgen van dien (Opiniepagina, 9 mei ).

In het Derde Rijk was het totale staatsgezag over de balie inderdaad levensgevaarlijk. Maar daarmee is niets gezegd over het belang van veel minder vergaand publiek toezicht op de balie in een hedendaagse rechtsstaat. In Brouwers redenering moet zo’n beetje alles worden verboden en afgeschaft, van dienstwapens en gevangenissen tot dikke touwen toe.

„De bijdragen van advocaten aan begrip van het rechtsbedrijf is vergelijkbaar met de bijdrage van fruitvliegjes aan de wetenschap van genetica”, stelde H.L.A. Hart.

Nederland is het Derde Rijk niet en advocaten zijn in meerdere opzichten geen fruitvliegjes, maar toch ziet advocaat Brouwer in zijn enthousiasme voor een autonome balie inderdaad ook over het hoofd dat zonder publiekrechtelijke regeling, met of zonder Regelgevende Raad, helemaal geen onafhankelijke advocatuur kan zijn. Zo regelen de Advocatenwet en allerlei andere wetten de plichten en de voorrechten van advocaten als onontbeerlijke medespelers in een eerlijke rechtspleging.

Dat is helemaal niet in strijd met onafhankelijkheid van de balie, integendeel. Juist Brouwer zou voor juridische regeling van de advocatuur moeten zijn.

Anders zijn er alleen maar juridisch adviseurs, zonder enige bijzondere plichten, rechten en daardoor bepaalde onafhankelijkheid. Daar hebben in ieder geval strafcliënten inderdaad een stuk minder aan.

Het debat moet dus gaan over publieke wet- en regelgeving voor de advocatuur (met betrekking tot bijzondere rechten en plichten, toelatingseisen, tuchtrecht etc.) en over de inrichting van de organen die toezien op de naleving daarvan. Bijvoorbeeld: wat kan zo’n Regelgevende Raad wat bestaande organen (Orde, ministerie, OM en rechter) niet kunnen?

Als alle andere organen hun werk goed doen, aan de hand van hervormde wet- en regelgeving, zou zo’n Raad overbodig moeten zijn. Dus niet omdat de balie helemaal geen staatstoezicht verdraagt, zoals Brouwer beweert.

Aan dat eigenlijke debat over gronden en grenzen van staatstoezicht op de balie draagt Brouwer net zo min bij als het door hem bestreden Rapport van de Commissie Advocatuur.

Hendrik Kaptein is Universitair hoofddocent rechtsfilosofie aan Universiteit Leiden.

www.nrc.nl/opinieArtikel Brouwer

    • Hendrik Kaptein