Timothy Hutton

De Amerikaanse acteur Timothy Hutton won aan het begin van zijn carrière een Oscar. Nu speelt hij in ‘Last Holiday'.

Foto AFP NEW YORK - FEBRUARY 09: Actor Timothy Hutton attends the New York screening of "Neil Young: Heart of Gold" at Walter Reade Theater February 9, 2006 in New York City. (Photo by Paul Hawthorne/Getty Images) *** Local Caption *** Timothy Hutton Getty Images/AFP

Een vroege Oscar en een godvergeten mooi gezicht, dat zijn geen geringe voordelen om mee af te rekenen in de rest van je filmcarrière. Timothy Hutton heeft moeten accepteren dat het nooit meer zo glorieus is geworden als het er aan het begin uitzag. Eerst Ordinary People in 1980, toen The Falcon and the Snowman in 1985 – hoe je het ook wendt of keert intrigerende films die, zoals Hutton zelf wel eens heeft gezegd, nu niet meer door grote filmstudio’s worden gemaakt. Dus speelde hij later ook maar in films die nog wél door de grote studio’s worden gemaakt, zoals French Kiss in de jaren negentig en nu Last Holiday. En toch werden dat nooit grote successen – Last Holiday, die deze week in Nederland uitkomt, was in zo’n anderhalve maand uitgedraaid in Amerika.

Het ligt niet aan het acteer-talent van Hutton, die twee kinderen heeft, een zoon met actrice Debra Winger en een met zijn huidige vrouw Aurore Giscard d’Estaing, nicht van de voormalige Franse president. Maar misschien is er wel iets mis met zijn instinct voor rollen, of heeft hij niet zo’n goede agent. Hoe dan ook, hij krijgt nauwelijks nog rollen waar hij zijn talent in kwijt kan. Tot zijn eigen frustratie: „Ik haat het als maar een deel van mijn kunnen wordt benut.”

Timothy Hutton was twintig toen hij met zijn eerste speelfilmrol, in Ordinary People, een Oscar won (voor beste bijrol). Hij kreeg er ook twee Golden Globes voor (beste bijrol en beste nieuwkomer) en nog een paar andere prijzen. Een donkerharige, atletische jongen met helblauwe ogen en een glimlach als de jonge Henry Fonda. In het regiedebuut van Robert Redford speelt hij een ernstige puber die de verdrinkingsdood van zijn broertje niet kan verwerken. Er zit een soort gevoeligheid in zijn spel die zich niet in elementen laat ontleden. Hij kan glimlachen en toch droevig zijn, hij kan staren zonder verdriet te hebben.

De rollen die hij sindsdien heeft gekozen, hebben weinig meer gemeen dan dat hij altijd probeert ze met die ambivalentie op te zadelen. De dwarse jongen die in The Falcon and the Snowman van John Schlesinger Amerikaanse staatsgeheimen aan de Russen verkoopt, is vooral op zoek naar een goede reden voor het bestaan. De mooie, maar niet geheel geslaagde pianist Willy in Beautiful Girls (Ted Demme, 1996) probeert zichzelf in te prenten dat een dertiger beter niet verliefd kan worden op een meisje van 13. De lach waarmee hij op de middelbare school meisjes kon verslinden, is nu ongelovig geworden: waarom sta ik in de sneeuw naar een kind te staren?

Zulke rollen zijn mooi, maar zeldzaam in een oeuvre dat overbodigheden bergt als Playing God (1997, met geblondeerde haren!) en The General’s Daughter (1999). En intussen maar haten dat slechts een deel van je kunnen wordt benut.