Ruilen

Een kennis vroeg me om raad. Hij was als vrijwilliger werkzaam in een ziekenhuis en hij had opeens een merkwaardige brief van de directie gekregen. Ze zouden het nuttig vinden als de vrijwilligers voortaan hun eigen dienstrooster regelden. Dat betekende dat de vrijwilligers zelf een vervanger in hun midden moesten zoeken als ze niet beschikbaar waren voor hun dienst. Die coördinatie was tot dusver door het ziekenhuis verricht.

„Zal ik dat doen?” vroeg hij.

„Wees voorzichtig”, zei ik meteen, als man van de wereld, en ik vertelde hem van een recente ervaring in een stoptrein.

Het ritje duurde een halfuur, en al die tijd zat de conducteur op het bankje naast me te bellen. Het was een gezette veertiger die het allengs warmer begon te krijgen – van het benauwde weer én van het bellen. Steeds moest hij hetzelfde verhaal afdraaien.

„Ja, hier met Hufkens”, zei hij dan, „ik heb een belangrijke vraag. Ik kan pas op 25 mei terugkomen van vakantie, maar ze willen me op die dag geen vrij geven, dus nou zoek ik iemand die mijn dienst kan overnemen. Ik heb een aantal namen opgekregen van mensen die dan rust hebben, en zo kom ik bij jou terecht. Zou jij kunnen?”

Op dat moment viel er kennelijk steeds een vrij lange stilte bij de ander, die óf koortsachtig een smoes verzon, óf op weg was naar zijn agenda om daarin alsnog een geschikte smoes te vinden. Zulke verzoeken komen de andere partij zelden goed uit. Meestal moet de dienst op vrij korte termijn geruild worden, juist in dat vrije weekend waarnaar hij snakte als een dorstend hert naar de bron. Ook mij is het vroeger niet vaak overkomen dat een collega me toeriep: „Wil jij ruilen, kerel? Schitterend! Dat doen we toch even!”

Na elke nieuwe weigering werd de conducteur inschikkelijker tegen de volgende collega op zijn lijst. „Denk er even rustig over na, joh, en bel me dan terug”, zei hij. Of, de wanhoop nabij: „Ik zou een dienst van jou op zaterdag kunnen overnemen”. En ten slotte, de wanhoop gepasseerd: „Je kunt honderd euro van me krijgen.”

Ik hoop dat de lezer er begrip voor heeft dat deze conducteur niet meer de gelegenheid had onze kaartjes naar behoren te controleren. Hij was inmiddels een man in grote verwarring. Zijn vakantie dreigde geplet te worden onder het dienstrooster van de NS. Hij riep de plaatsen die we aandeden niet meer om, het was al erg genoeg dat hij veel telefoontjes moest onderbreken met de boodschap: „Wacht even. Ik moet de trein laten vertrekken.”

Steeds heviger zwetend kwam hij terug van zijn vervulde taak, steeds gelatener sloot hij de gesprekken af met het zinnetje: „Nee, dan houdt alles op.”

Pas bij de eindbestemming begon er enig licht te gloren. Eén terugbeller, Henk genaamd, was ‘eventueel’ bereid te ruilen, al moest hij nog wel moeder de vrouw consulteren. De conducteur belde meteen zijn eigen moeder de vrouw en zei: „Nu moet ik alleen nog een reserve vinden voor het geval Henk omvalt.”

„Neem mij maar”, had ik bijna gezegd, maar het schoot me nog net op tijd te binnen dat ik op 25 mei al ‘iets’ had.

    • Frits Abrahams