Post uit Iran: een list of oprecht aanbod?

Durf vermetel te zijn

In de krachtmeting met de internationale gemeenschap over de nucleaire plannen heeft Iran steeds geprobeerd verdeeldheid te zaaien onder de tegenstanders. De Amerikanen, Russen, Chinezen en Europeanen tegen elkaar opzetten is het beste middel voor de islamitische republiek om sancties of een eventuele militaire ingreep te ontlopen. Dat is ook ongetwijfeld het doel van de brief die president Ahmadinejad nu aan de vooravond van de besprekingen in de Verenigde Naties heeft gestuurd aan president Bush.

Maar het is een begin. Met dit schrijven is het voor het eerst sinds de revolutie van 1979 dat het regiem van de mullahs zich verwaardigt publiekelijk het woord te richten tot „de grote Satan”.

Het feit dat deze brief er ligt is minstens even belangrijk als de inhoud ervan. De brief toont in tactisch opzicht aan dat Iran bereid is een rechtstreekse dialoog met de Verenigde Staten aan te gaan. Dat is ook wat de Russen, de Chinezen, de Europeanen en een toenemend aantal Amerikanen in regeringskringen wilden. In strategisch opzicht is het duidelijk dat Iran met de brief van Ahmadinejad Washington ertoe wil verleiden de islamitische republiek te erkennen, ook al wordt die tot de ‘as van het kwaad’ gerekend. […]

Amerika moet om meerdere redenen het gesprek met Iran aangaan. In de eerste plaats omdat tot elke prijs moet worden voorkomen dat de islamitische republiek een atoombom in handen krijgt en die gebruikt voor het vernietigen van Israël en het exporteren van de revolutie. In de tweede plaats omdat niemand ervan overtuigd is dat de huidige strategie succes zal hebben: is het mogelijk Iran te dwingen af te zien van uraniumverrijking door in de VN overeenstemming te bereiken over de toepassing van sancties? En ten slotte omdat, wanneer Iran nucleaire middelen gaat vervaardigen, militair ingrijpen weliswaar een laatste optie is, maar ook een nog veel riskantere onderneming zou zijn dan het precedent in Irak. […]

Historische precedenten als de ontspanning met de Sovjet-Unie en de erkenning van de Volksrepubliek China laten zien dat met vermetelheid de vrede gediend kan zijn.[…]

(Hoofdartikel in Le Figaro)

Trap niet in goedkope praatjes

Er is een interessante ontwikkeling gaande in de crisis rond de nucleaire ambities van Iran. De discussie richt zich steeds meer op het hypothetische militaire ingrijpen door de VS in plaats van op de feitelijke wandaden van de Islamitische Republiek, en daarmee verschuift gaandeweg de schuld van de mullahs naar de regering-Bush.

Er verschijnen al demonstratieborden met ‘Geen oorlog tegen Iran’, terwijl ‘Geen atoombom voor Iran’ logischer zou zijn.

De poging om Amerika een zoveelste zwartepiet toe te spelen, wordt ondersteund met de stelling dat de mullahs zich misdragen, omdat Washington weigert om met hen te praten. Deze geluiden zijn afkomstig van degenen die de VS jarenlang hebben voorgehouden dat zij Iran wel tot inkeer zouden brengen. Daartoe behoren de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier en zijn Britse en Franse collega, het EU-trio dat jarenlang met Iran onderhandelde. Nu zij zich opmaken om de handdoek in de ring te gooien, zeggen ze dat de VS Iran „rechtstreeks moeten aanpakken”. Daarmee zouden zij hun fouten kunnen verbergen en een voorwendsel hebben om de VS de schuld van toekomstige tegenslagen te geven. [...]

De VS hebben behoefte aan een open, eerlijk en diepgaand debat over de vraag wat ze moeten met een bewind dat zich ten doel stelt de VS uit het Midden-Oosten te verdrijven, Israël van de kaart te vegen, een islamitische grootmacht te vormen en de wereld te veroveren voor „Het Enige Ware Geloof”. De keuzes zijn duidelijk: we trekken ons terug en laten de Islamitische Republiek aan haar doelstellingen werken; we verzetten ons en riskeren een confrontatie, inclusief een militair conflict; of we voeren een miniversie van de Koude Oorlog tegen de Islamitische Republiek, totdat deze zich uitgeput zelf te gronde richt. [...]

De oproepen tot gesprekken zijn niet meer dan goedkope praatjes. Het is belangrijk om te zeggen waar die beoogde gesprekken over zouden moeten gaan. Intussen zal het gepraat over ‘constructief overleg’ president Mahmoud Ahmadinejad ongetwijfeld sterken in zijn onverzettelijkheid. Waarom zou hij zich laten afremmen, laat staan tegenhouden, als er geen hobbels op de weg zijn?

(De Iraanse journalist en commentator Amin Taheri, woonachtig in de VS, in de Wall Street Journal)

Ga praten, ook over gerechtigheid

(De brief) laat zien hoe zelfverzekerd Ahmadinejad is en hoezeer hij het recept denkt te hebben dat hij de man is die Iran gelijke tred met de Verenigde Staten kan laten houden. Zevenentwintig jaar lang heeft geen enkele Iraanse leider zich rechtstreeks tot een president van de Verenigde Staten gewend, en in wezen zegt deze man: „Waar zijn we nou eigenlijk bang voor geweest? Ik zal die Amerikanen en de rest van wereld laten zien dat ik meer recht van spreken heb dan zij.”

In feite zegt hij: kom maar op, dan zullen we het eens over recht van spreken hebben. [...] Ik zie het echt als een bredere internationale campagne, een poging van Ahmadinejad om als het ware op het mondiale populisme in te spelen. Dan is de brief dus politiek, maar zegt hij er in feite ook mee: laten we het niet hebben over kleinigheden als bepaalde meningsverschillen, atoomvraagstukken, terrorisme, noem maar op. Ik kan me met jou als gelijke meten en het over grote kwesties hebben, bijvoorbeeld wie de beste afgezant van God is. Jij, president Bush, gelooft in de beginselen van het monotheïsme – hij haalt in de brief veelvuldig Christus aan –-dus laten we het daar eens over hebben. [...]

Hij praat veel over gerechtigheid, over de zorg voor de noden van de armen en de aanpak van hun problemen, maar nu heeft hij alles gemondialiseerd en kan hij het over de wereldorde hebben, en zeggen dat Amerika onder leiding van Bush – onder valse voorwendselen en gebaseerd op een leugen – een land is binnengevallen, namelijk Irak, en dat het heeft toegestaan wat er is gebeurd, in Guantánamo Bay en Abu Ghraib, enzovoorts. Vervolgens maakt hij het nog breder en begint over de economie. Je weet, zegt hij, dat de kloof tussen rijk en arm in de wereld is gegroeid. Hij daagt Bush uit en zegt: luister, we zijn allebei president van een land en waar een president op wordt beoordeeld, is of hij streeft naar gerechtigheid of alleen maar de belangen van bepaalde groepen behartigt. Om dat soort brede uitdaging gaat het dus. Hij zegt: het liberalisme en de westerse democratie hebben de idealen van de mensheid niet kunnen verwezenlijken. En weer volgt die brede uitdaging, als hij zegt: ik ga jouw positie in de wereld aanvechten. Hij klinkt sterk als Hugo Chávez in Venezuela of Evo Morales in Bolivia, en ook als populisten uit het Midden-Oosten, zoals onder andere Hamas. Op al die stromingen speelt hij dus in.[...]

We dienen de uitdaging aan te nemen. [...] Liberale maatschappijen, liberale democratieën hebben namelijk heel veel voor als het om gerechtigheid gaat, en die discussie dienen we frontaal aan te gaan. Als Iran het dus over gerechtigheid wil hebben, mooi zo, laten we het dan eens hebben over de mensen die gevangen zitten omdat ze hun mond hebben opengedaan, laten we het hebben over de vrijheid van drukpers en vereniging. Er is op het terrein van de gerechtigheid heel wat dat de Iraniërs zouden verwelkomen. Hier moeten we niet voor terugschrikken. En hierin schuilt deels ook de uitdaging van het probleem. Veel van de Amerikaanse retoriek over persoonlijke vrijheid vindt in deze culturen lang niet zoveel weerklank als het thema van de gerechtigheid, dat meer een groepsprobleem is. [...] Ik vermoed dat veel mensen de brief in eerste instantie zullen afdoen als bizar, wat hij ook is. In de annalen van het staatsmanschap zijn brieven van achttien kantjes over monotheïsme en profetie, bomvol gezegden uit bijbel en koran, niet de normale manier van communiceren. Veel van de beroepsmensen zullen er om die reden niets van moeten hebben, ook omdat er niet echt iets concreets in staat. Maar volgens mij is dat een vergissing.

Ik denk dat de brief serieus moet worden genomen en dat we erop in moeten gaan, heel, heel behoedzaam, maar we moeten er wel op ingaan.

(George Perkovich, vice-president van de Carnegie Endowment for International Peace, in een interview op de Carnegie website)

www.nrc.nl/weblog/wereld:Links naar de volledige tekst van de brief van Ahmadinejad en de andere artikelen.