Poppenvilla was trots van Lita de Ranitz

Lita de Ranitz, circa 1883 Haags Historisch Museum

Tentoonstelling: Boven wonen de poppen. De poppen en poppenhuizen van Lita de Ranitz. Haags Historisch Museum, t/m 20 aug. 2006. Di t/m vr 10-17, za en zo 12-17u. Inl: 070 364 6940 en www.haagshistorischmuseum.nl.

Grote, statige huizen hadden vroeger steevast een ruime zolder. Daar waren niet alleen de kamertjes van de dienstboden, maar het was ook de schemerige opslagruimte voor oude rommel en meubels, misschien zelfs oud speelgoed, waar kinderen zich uren konden bezighouden.

Ook boven de Sint Sebastiaansdoelen in Den Haag, waar sinds tien jaar het Haags Historisch Museum is gevestigd, is zo’n royale zolder. Zowel kinderen als volwassenen kunnen daar ronddwalen tussen de poppenhuizen van Lita de Ranitz (1876-1960). Het is een van de belangrijkste collecties op dit terrein van Nederland.

Het topstuk is een geriefelijke villa uit 1910, ingericht volgens de nieuwste luxe maatstaven van die tijd. Het huis heeft, zoals veel landhuizen uit deze periode, een gelambrizeerde woonhal in Engelse stijl en een badkamer met een echt Royal Doulton bad (en een verwarmd koperen handdoekenrek). Op de slaapkamer is de toilettafel geheel in kant gehuld, net als ooit die van Eline Vere. In de hal en de kamers hangen originele schilderijen op poppenformaat van Jan Toorop, Paul Gabriël, Johan Jongkind en andere beroemde schilders van omstreeks 1900. Op een tafeltje staat een ivoren schaakspel, meegebracht door koningin Emma toen zij het huis kwam bewonderen.

Lita de Ranitz, geboren als dochter van een hoge hoffunctionaris onder koning Willem III en later Emma, was een eigenzinnig persoon. Pas na haar dertigste begon zij met de bouw en de inrichting van dit monumentale poppenhuis. Het was gebaseerd op een kleiner exemplaar waarmee zij als kind had gespeeld. Net als de 17de- en 18de-eeuwse eigenaressen van de beroemde Hollandse pronkpoppenhuizen die nu in het Rijks- en andere musea staan, maakte zij er een echte pronkkast van. Ze zocht kunstenaars en handwerkslieden aan om bij te dragen aan het interieur. Ook op buitenlandse reizen kocht Lita voorwerpen voor de inrichting.

Zij ging daarbij zeer natuurgetrouw te werk, met als resultaat dat deze poppenvilla een fantastisch beeld geeft van hoe de kunstzinnige elite van Nederland omstreeks 1910 woonde. Aan de volgepakte kamers is goed te zien dat het daarbij ging om warmte, comfort en artisticiteit, en niet om de samenhang in het interieur, laat staan om ruimtelijk effect.

Lita de Ranitz, die ook een roman publiceerde en tijdschriftartikelen schreef, trouwde op haar 43ste met de schilder W.B. Tholen. Samen met zijn eerste vrouw had die al jaren enthousiast meegewerkt aan haar grote poppenhuis; er zijn zelfs miniatuur-briefjes van hem overgeleverd. Nu kwam Lita bij hem wonen in de Kanaalvilla, een kapitaal pand aan de duinkant van Den Haag. Op zolder was plaats voor het grote poppenhuis en Lita’s overige schatten.

Tholen had twee schildersateliers, één binnenshuis en één achter in de tuin, om ongestoord te kunnen werken. Van dit laatste atelier (ingericht in oud-Hollandse stijl, zoals veel ateliers in die tijd) staat een versie op poppenformaat op deze expositie, als één van de vele poppenkamers en -winkeltjes.

Aan het eind van haar lange leven is Lita de Ranitz nog door Bibeb geïnterviewd (Vrij Nederland, 27/4/1957). De éénentachtigjarige lag op haar knieën op de bank voor haar grote poppenvilla en wees haar bezoekster het deftige poppetje in het zwart aan, in de salon. „Dit dametje heeft alles wat mooi is verzameld”, zei ze. En na een kleine stilte: „Dat ben ik natuurlijk.”

    • Ileen Montijn