Overheid pakt integriteit niet goed aan

De affaire rond de hardrijdende procureur-generaal is leerzame stof op het gebied van de integriteit. De rel roept vragen op en leidt tot de conclusie dat de overheid op het gebied van vraagstukken rond integriteit de goede aanpak nog niet gevonden heeft, meent Ton Horrevorts.

Tweede-Kamerleden hebben zeer kritisch gereageerd op het nieuws dat procureur-generaal Dato Steenhuis zijn chauffeur volgens diens verklaring met grote regelmaat de snelheidsregels liet overtreden en daarbij files rechts passeerde met gebruik van zwaailicht en sirenes. Als dit waar is, moet Steenhuis vertrekken, aldus de verbolgen leden van de Kamerfracties van PvdA en LPF.

De affaire roept boeiende vragen op. In de eerste plaats de manier waarop de zaak naar buiten kwam. Een journalist krijgt inzage in een strafdossier en publiceert daarover. De betrokken journalist heeft dat dossier natuurlijk niet bij het oud papier gevonden. Er is bewust gelekt.

Lekken gebeurt meestal niet uit geldelijk gewin of gewichtigdoenerij. Meestal is het motief betrokkenheid bij het onderwerp of emotie over de gang van zaken. Dat mensen bij openbaar ministerie of rijksrecherche bewust lekken naar de media is reden tot zorg over het besef van integriteit bij deze diensten, waar integriteit toch core business zou moeten zijn. Dit gevoegd bij alle strafrechtdossiers die de laatste jaren naar buiten zijn gekomen maakt lekken een van de belangrijkste problemen van het openbaar ministerie.

Voor lekken om emotionele redenen kan wel enig begrip worden opgebracht. Het onderzoek naar het rijgedrag van de chauffeur loopt al bijna een jaar. Het incident kwam afgelopen juni naar buiten toen verschillende burgers klaagden over rijgedrag van een dienstauto van wat toen nog gedacht werd een politieagent te zijn. Dat het onderzoek zo lang moet duren, roept vraagtekens op. Eenvoudig zal deze kwestie niet zijn met elkaar tegensprekende getuigen, maar justitie heeft zaken die vele malen ingewikkelder zijn en toch binnen een jaar zijn afgehandeld. Mogelijk vonden mensen binnen het openbaar ministerie of de rijksrecherche dat deze zaak wel heel erg traag werd afgehandeld en waren zij verontwaardigd over een vermeende voorkeursbehandeling voor Steenhuis. Daarom besloten zij tot deze, overigens niet goed te praten, anonieme klokkenluidersactie.

De derde vraag betreft het voorbeeldgedrag dat uitgaat van de hoogste leiding van het openbaar ministerie. Uit de affaire blijkt dat het onderwerp ‘voorbeeldgedrag’ niet hoog op de agenda van het hoogste gezag binnen het openbaar ministerie staat. Veiligheidsoverwegingen worden aangevoerd als argument voor het voeren van zwaailicht en sirenes in de dienstauto’s van de leden van het college van procureurs-generaal. Het argument is niet erg voor de hand liggend of overtuigend. Net als andere hoge overheidsfunctionarissen lopen ook de procureurs-generaal een veiligheidsrisico, maar een zwaailicht biedt weinig extra veiligheid. Of zie ik het verkeerd en beschikken alle auto’s van functionarissen die potentieel gevaar lopen over zwaailicht en sirene?

De chauffeur beschikt over een politielegitimatiebewijs en droeg tot voor kort een politie-uniform, zonder overigens over de opleiding of bekwaamheden voor dat ambt te beschikken. Dit alles roept een sfeer op van prerogatieven die geen enkele wettelijke basis hebben en vooral tot doel hebben een geur van voornaamheid en aanzien aan de functie van de procureur-generaal te geven. Voornaamheid en aanzien leiden niet tot gezag, die moet komen uit de inhoud van het werk en de resultaten die daarmee worden bereikt. Erger is dat het voorbeeld dat hiervan uitgaat slecht is voor de organisatie. Het gaat uit van de misvatting dat voor de bazen andere wetten gelden dan voor het lagere personeel.

Een integriteitprobleem in de top van het openbaar ministerie is desastreus voor de positie van de strafrechtelijke vervolging. Het probleem wordt alleen maar erger gemaakt door niet snel op de publicatie te reageren en de affaire doeltreffend en gezaghebbend naar de prullenbak te verwijzen. Dat minister Donner (Justitie) volstaat met de mededeling dat „zaak onder de rechter is” mag juridisch juist zijn, maar laat wel het publicitaire probleem van de aantasting van de integriteit van het hoogste orgaan van het openbaar ministerie dooretteren.

Gebruikelijk is overigens in dit soort situaties om de functionaris die in het geding is te vragen tijdelijk ‘even thuis te blijven’. De vraag is waarom daar nu van is afgezien.

Uit de affaire blijkt dat de overheid nog steeds worstelt met het onderwerp integriteit. Integriteit gaat over meer dan knoeien met de boekhouding of aannemen van steekpenningen. Een van de belangrijkste onderdelen van integriteit is de voorbeeldfunctie van leidinggevenden: zij moeten de waarden van de organisatie in woord en gedrag waarmaken en uitstralen. Een leidinggevende die daarbij faalt gooit zijn eigen gezag en geloofwaardigheid te grabbel. Ook hier geldt dat het ongeluk in een klein hoekje zit.

De affaire leert dat overheden veel meer werk moeten maken van het voorbeeldgedrag van leidinggevenden, zowel van politieke bestuurders als van topambtenaren.

Drs. A.A.M Horrevorts is directeurvan HMSmanagement te Den Haagen geeft overheden advies op het gebied van good public governance.

    • Ton Horrevorts