Lachen om George W. Bush

Heeft u ook zo gelachen om George W. Bush met dubbelganger Steve Bridges bij het White House Correspondents Association Dinner? Ik niet. Toen ik de beelden op het NOS Journaal zag dacht ik eerst nog: geweldig! Een president die stand up comedy doet. Dat is nog eens wat anders dan Balkenende die carnaval viert. Maar naarmate ik langer naar het tv-scherm zat te kijken, begon ik me ook te ergeren: Belachelijk! Dat richt een bloedbad aan in Irak en gaat ondertussen een beetje grappen staan maken over zijn eigen vice-president. Dat een komiek een politicus imiteert, is leuk. Maar moet een politicus wel aan stand up comedy doen? Nee.

Toch veranderde ik van mening toen ik toevallig op een essay van Ben Lewis stuitte, dat deze maand in Prospect Magazine staat.

Lewis is een alternatieve Amerikaanse filmmaker wiens film Hammer and Tickle: the communist joke book afgelopen week in première is gegaan op het Tribeca Film Festival in New York. In deze documentaire maakt Lewis een rondreis door de voormalige communistische landen en laat hij politici en burgers aan het woord over het belang van de grap gedurende het communistische tijdperk.

Een van Lewis’ inzichten is dat de grap voor velen die leefden onder het totalitaire juk een bevrijdende werking had. Dat is op zichzelf geen nieuws. Maar wat ik wel opvallend vond is dat Lewis aankaart dat destijds ook politieke leiders grappen maakten. Niet alleen Stalin schijnt ooit in een deuk te hebben gelegen om een grap van zijn veiligheidsadviseur Lavrenti Beria (destijds voorzitter van de NKVD, de voorloper van de KGB) over het onderdrukkende Sovjet-systeem, ook Chroesjtsjov kreeg tijdens zijn beroemde speech in 1956 voor het 20ste partijcongres de lachers op zijn hand. Hij vertelde dat Stalin graag alle Oekraïeners had willen deporteren, maar alleen niet wist waar hij ze kwijt kon.

Toch waren Stalin en Chroesjtsjov niet bepaald tolerant ten aanzien van grappenmakers. De meesten verdwenen in de gevangenis. En zelfspot was er al helemaal niet bij. Dat werd pas mogelijk met de komst van Gorbatsjov. In 1996 vertelde de (op dat moment al voormalige) Sovjet-president op de Britse televisie de volgende grap: Staat een man in Moskou in de rij voor voedsel. Als hij lang genoeg heeft gewacht zegt hij: „Ik heb ’t gehad! Ik ga die Gorbatsjov vermoorden!” Twee uur later komt hij terug. Zijn vriend vraagt: „En? Heb je het gedaan?”

„Nee”, antwoordt de man, „Die rij was nog veel langer.”

Wat voor invloed het maken van grappen op de val van het communisme heeft gehad, daarover wil Lewis in zijn essay geen uitspraken doen. Wel concludeert hij: „Sinds de val van de Muur, wordt er minder lol gemaakt. Het leven is gewoon niet meer zo leuk.”

Dat is interessant. Want dit impliceert: hoe zwaarder het leven, hoe meer grappen er worden gemaakt. Dat men destijds in de Sovjet-Unie en Oost-Europa zoveel lol heeft getrapt heeft te maken met de essentie van de grap: het biedt of veronderstelt de mogelijkheid van een andere realiteit. Wie een grap vertelt, relativeert zijn situatie.

Als ik er zo over denk, dan mag Bush van mij wekelijks een stand up comedy-uurtje houden. Een politicus met zelfspot stemt hoopvol. Het betekent dat hij, hoe moeilijk dat ook is voor te stellen, in staat is tot relativeren. Ondanks zijn onzekere mandrillenblik, die getuigt van een diepgewortelde existentiële identiteitscrisis, wordt er vaak in de media gesuggereerd dat Bush, plus team, een rotsvast vertrouwen heeft in zijn neoconservatieve agenda. Maar ergens twijfelt hij aan zijn beleid. Want als hij er helemaal geen grappen over zou maken, zou er voor hem maar één realiteit bestaan: de zijne. En daar wordt niemand gelukkig van.

rosan hollak

woensdag@nrc.nl

    • Rosan Hollak