Een bekeken kampioen

H. v.d. Grift (Breukelen, 25 dec. 1935) woont in Westbroek, Utr. Nederland, Westbroek, 28-04-2006 Hendrik (Henk) van der Grift (25 december 1935, Breukelen) is een voormalig Nederlands schaatser. Zijn grootste succes behaalde hij in 1961, toen hij in Gotenburg Wereldkampioen allround werd. Op de 500 meter werd hij tweede achter de Russische sprinter Jevgeni Grisjin. Hij verloor een boel terrein op de 5 kilometer, maar maakte dat goed met winst op de 1500 meter. Op de 10 kilometer hield hij net genoeg tijd over om de Rus Viktor Kositsjkin in het klassement voor te blijven. Een andere Nederlander, Rudie Liebrechts, werd derde in de eindrangschikking. Door zijn overwinning was Van der Grift de eerste Nederlandse wereldkampioen sinds Coen de Koning in 1905. Hij werd na zijn zege meermalen ge‘erd: hij kreeg de Oscar Mathisen-award en werd gekozen als Sportman van het jaar. Henk van der Grift deed mee aan de Olympische Spelen van 1960. Op de 500 meter werd hij 10e en op de 1500 meter kwam hij ten val. Omdat hij niet tevreden was met de Nederlandse trainingsfaciliteiten, woonde hij een tijd in Noorwegen, waar hij werkte als automonteur. In 1962 slaagde hij er niet in zijn wereldtitel te prolongeren: hij eindigde tweede achter Kositsjkin. Het volgende seizoen kreeg hij te kampen met ziekte en zette hij een punt achter zijn schaatscarrire. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Henk van der Grift is 70 en zijn conditie is goed. Gisteren zat hij nog boven in die boom daar. Hij wijst naar de top van een pinus buiten. Ik neem aan dat hij daar gisteren iets te doen had.

Zijn vader had een flink melkveebedrijf. Dat was de vanzelfsprekende achtergrond van grote schaatsnamen: melkvee of tuinderij. Mannen die ’s winters weinig om handen hadden. Van der Voort, Broekman, Pesman. Wésterse namen, want Friezen waren gefixeerd op de Elfstedentocht aan de ene, en kortebaanwedstrijden aan de andere kant.

Je had in Breukelen een actieve schaatsclub. Je had een reeks strenge winters. Je had de eindeloze kerstvakantie van 1946, scholen dicht vanwege de kolenschaarste. Je had de inundatie richting Kockengen, een onafzienbare ijsvlakte met het avontuur aan de horizon.

In 1954 nam hij als jongste wedstrijdrijder deel aan de Elfstedentocht (zijn schaats brak; Jeen van den Berg won). Hij werd toen derde in de Ronde van Loosdrecht over 150 km. „Ik was taai”, zegt hij. „Ik heb zes jaar lang naar Utrecht gefietst, naar school, zestien kilometer heen, zestien kilometer terug.” Dat was om automonteur te worden.

Indertijd arriveerde het puikje van de Nederlandse schaatsenrijderij half december in Hamar. Per trein. Twaalf tot veertien man, sommigen op uitnodiging van de KNSB, sommigen op eigen kosten. Vier weken ijstraining, daarna selectiewedstrijden. Dan gaf Klaas Schenk de resultaten door naar Nederland, en dan gaf het bestuur zijn besluiten door aan het ANP, en dan hoorden de schaatsers in Noorwegen wie naar de grote toernooien mochten.

„Voor de grootst mogelijke deelname aan de volgende toernooien”, zegt hij, „moest je mannen bij de laatste zestien hebben, de 10.000 meter. Daarvoor keken ze steeds naar de beste 5.000 meters. Zo zijn me heel wat toernooien door de neus geboord, waarop ik op basis van de selectiewedstrijden wél recht had gehad.” Want zijn lange afstanden waren niet slecht, maar zijn wínst pakte hij op de korte.

„Zou onze volksaard daarbij ook een rol hebben gespeeld?” vraag ik. „Wij houden nu eenmaal minder van snelheid en souplesse dan van werken en duurvermogen.”

„Misschien”, zegt hij. „Dat knoertwerk... het waren in ieder geval de bonkige karakters die de voorkeur kregen.” Hijzelf was (en is) eerder tenger. Grote handen, dat wel.

In mei 1960 vond hij werk bij een garage in Fagernes in de Noorse bergen. Reijka, een echte Westbroekse, ging mee. Ze waren nog niet getrouwd. Of dat geen probleem was? „Voor ons niet. Voor onze ouders ook niet. Voor de bond wel.”

Daar was een meertje op ruim 1.000 meter. Daar kon hij half oktober al het ijs op, bijna twee maanden eerder dan zijn Nederlandse rivalen. Daar perfectioneerde hij zijn slag.

„Wij moesten”, zegt hij, „onze schouders recht houden. De afzet kwam dan helemaal vanuit de heup. Nou, onnatuurlijker kan het haast niet.”

Dus hij begon, zoals ook de Noren al deden, zijn schouders te bewegen. En nu, bijna 46 jaar later, komt hij overeind om dat naast de bank te demonstreren. Als een telganger: de linkerschouder zo, dan het rechterbeen zo, uitschuiven en weer bijtrekken, vaste series van explosieve bewegingen.

„Zo kon ik mijn bovenbeenspieren beter gebruiken”, zegt hij. „Mijn tempo kon omhoog, ik maakte meer vaart.” Nadeel: hij stond nogal rechtop, hij ondervond nogal wat luchtweerstand. Om dat te ondervangen zocht hij de strakst mogelijke kleding – damesmaillots, gecompleteerd door een truitje van dezelfde gladde stof.

Hij won de selectiewedstrijden, nam op 4 en 5 februari 1961 deel aan het EK in Helsinki en greep veertien dagen later de titel op het WK in Gotenburg, de eerste Nederlandse wereldkampioen allround sinds Coen de Koning in 1905.

Hij herinnert zich dat weekeinde van minuut tot minuut – de tijden die werden gereden, de verschillen die werden gemaakt, de wisselvalligheid van het ijs en het gat dat hij sloeg op de 1.500 meter. En bij dit relaas herinner ik mij, veel vager natuurlijk, de roes waarin we thuis aan de radio zaten – ik moet me al heel sterk vergissen als dat geen distributieradio was.

Het kwam uiteraard aan op de slotafstand, die eeuwige tien kilometer. Ja, hoe rij je een goede tien? „Door je koppie erbij te houden”, zegt hij.

Hij mocht 20,9 seconden verspelen op Viktor Kositsjkin. Die reed 16.35,9. Van der Grift was nog nooit sneller geweest dan 17.36,9. Hij moest zelf tegen Fred Anton Maier, die er meteen als een haas vandoor ging, en hij kreeg aan de ene kant van de baan, waar Klaas Schenk stond, heel andere dingen toegeroepen dan aan de andere kant, waar een paar van zijn vrienden stonden. Besloot dus zijn eigen gang te gaan. Verloor op het schema van Kositsjkin een seconde per ronde.

„Nooit gedacht”, zegt hij, „dat ik kon winnen. Maar drie ronden voor het einde begon het publiek zich te roeren. Ik dacht: wie weet. En ik kon versnellen, ik wist op het laatst zelfs nog wat op Kositsjkin in te lopen.”

Hij finishte in 16.53,6. Hij had ruim drie seconden over. En in feite opende Van der Grift met deze marge in Nederland het tijdperk van de kunstijsbanen, waarmee de basis werd gelegd voor latere successen én, in het spoor daarvan, voor latere teleurstellingen.

„Op sportgebied”, zegt hij, „zijn wij toch de keffertjes van de wereld – als het erop aan komt rennen we hard weg.”

„Ook op schaatsgebied?”

„Nou ja... dat idee dat je beste bent als in Nederland maar de beste bent... dat geklaag over de selectieprocedures... daar moet je toch tegen kunnen.”

Hij introduceerde een nieuwe schaats in ons land (Nederlandse schoen op Noors ijzer) en kreeg 25 cent per paar dat verkocht werd. Hij kopieerde het slijpblok dat hij tijdens de Winterspelen van Squaw Valley van Grishin had gekocht en bracht het hier op de markt. Nee, hij heeft er niet op toegelegd, „maar het schaatsen heeft bij ons ook geen gulden binnengebracht.”

De knappe bungalow die hij bewoont in het Utrechtse polderland, is de vrucht van zijn jarenlange technische functie bij de importeur van een Italiaans automerk.