Regelgevende raad advocatuur is slecht plan

De Commissie Advocatuur bracht op 24 april advies uit over de wenselijke inrichting en regulering van de advocatuur in Nederland. Onderdeel van het advies is de inrichting van een ‘Regelgevende Raad voor de Advocatuur’. Dit voorstel verdient geen navolging.

Deze Regelgevende Raad zou bij uitsluiting bevoegd worden om regels te stellen die de advocatenstand aangaan. Deze bevoegdheid zou daarmee worden ontnomen aan de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), het bij de Advocatenwet ingestelde publiekrechtelijke lichaam waar alle advocaten van rechtswege lid van zijn. De NOvA zou een beroepsorganisatie worden, met slechts een adviserende rol.

In het voorstel van de Commissie Advocatuur krijgt de Regelgevende Raad de exclusieve taak om regels te stellen met betrekking tot onder meer de toelating tot het beroep van advocaat, alsmede om de regels en voorschriften te formuleren waaraan de beroepsuitoefening van de advocaat moet voldoen. De Regelgevende Raad zou in meerderheid moeten bestaan uit „onafhankelijke deskundigen”, die door de minister van Justitie worden benoemd.

Lezing van dit onderdeel van de voorstellen herinnerde mij aan een bijeenkomst van de ECBA, de Europese beroepsvereniging voor strafrechtadvocaten. Enkele jaren geleden was er zo’n bijeenkomst in Berlijn, in de voormalige rechtbank, in dezelfde zaal waarin de (show)processen tegen enkele betrokkenen bij de mislukte aanslag van 20 juli 1944 van Von Stauffenberg c.s. op Adolf Hitler waren opgevoerd.

In die historisch geladen zaal gaf een Duitse advocaat annex historicus een lezing over de geschiedenis van de strafrechtadvocatuur in het Derde Rijk. In magistraal academisch Duits ontleedde hij hoe het zo ver heeft kunnen komen dat binnen tien jaren na de machtsovername door Hitler advocaten voor hun eigen cliënten de doodstraf bepleitten.

De eerste en belangrijkste stap daartoe was het creëren van de bevoegdheid om van overheidswege regels te stellen aan de toelating tot de balie en aan de beroepsuitoefening. Langs die weg konden allereerst joden worden uitgesloten van toelating en van de beroepsuitoefening en konden – later – toegang en beroepsuitoefening worden voorbehouden aan leden van de NSDAP. Nog weer later kon langs die weg de nationaal-socialistische ‘ethiek’ aan de balie als gedragsvoorschriften worden opgelegd.

Het zij de Nederlandse Commissie Advocatuur vergeven dat zij zeventig jaar later deze huiveringwekkende geschiedenis niet kent. Het is dan ook verre van mij om de Commissie andere dan oprechte bedoelingen toe te dichten. Maar het historische voorbeeld toont aan dat de onderwerping van (strafrecht)advocatuur aan rechtstreeks of indirect overheidsgezag de weg opent voor beïnvloeding van de balie door diezelfde overheid. Die inmenging kan bepaald onwenselijke gevolgen hebben.

De ongepastheid van de door de Commissie voorgestelde Regelgevende Raad blijkt ook uit het volgende. Uitvloeisel van de belangenbehartiging van individuele verdachten is dat de strafrechtadvocaat bij de rechter – en soms ook bij de samenleving – aandacht vraagt voor de grenzen van de rechtsstaat, waaraan ook de overheid zich behoort te houden. De strafrechtadvocatuur heeft daarmee als belangrijke nevenfunctie de rol van waakhond van de rechtsstaat.

Deze nevenfunctie van de advocatuur – waakhond van de rechtsstaat waar het opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten betreft – komt in het gedrang, zodra diezelfde strafvervolgende overheid rechtstreeks of indirect zeggenschap krijgt over de wijze waarop de strafrechtadvocaat zijn beroep dient uit te oefenen.

Dat geldt temeer in het geval dat – zoals de Commissie voorstelt – in de voorgestelde Regelgevende Raad ook (door de minister benoemde) leden uit zogeheten ‘ketenpartners’ – politie, openbaar ministerie en rechterlijke macht – zitting zullen hebben. Dan wordt het risico dat overheidsbelangen de doorslag geven bij de regulering van de advocatuur erg groot. Denk bijvoorbeeld aan ‘nadere regels’ die een Regelgevende Raad zou kunnen stellen voor de verdediging van personen die van terroristische misdrijven worden verdacht – waarin dan bijvoorbeeld tot uitdrukking kan komen dat het de advocaat niet vrijstaat om nader onderzoek te verzoeken, als daarmee de belangen van de veiligheidsdiensten zouden kunnen worden geraakt.

De bezwaren tegen dit voorstel worden onmiddellijk inzichtelijk als we de figuur van een Regelgevende Raad voor de Advocatuur transponeren naar een andere beroepsgroep, die (zo is algemeen aanvaard) ook een waakhondfunctie in onze rechtsstaat toekomt: de pers.

Het voorstel van de Commissie Advocatuur zou er dan op neerkomen dat alle journalisten – zowel de schrijvende pers als journalisten van andere media – verplicht lid zijn van de Nederlandse Vereniging van Journalisten en dat daarnaast een Regelgevende Raad voor de Journalistiek zou worden ingericht die de exclusieve bevoegdheid zou krijgen om regels te stellen omtrent de voorwaarden voor toelating tot het beroep van journalist en de wijze waarop de journalist zijn nieuwsgarende taak dient uit te oefenen.

Stel dat de meerderheid van de leden van die Regelgevende Raad voor de Journalistiek wordt benoemd door de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst, dan rijst het beeld op dat in de voorstellen van de Commissie Advocatuur voor de balie zou moeten gaan gelden. Geen weldenkend mens zou zo’n constructie voor de pers verdedigen.

Dr.mr. D.V.A. Brouwer is (strafrecht)advocaat bij CMS Derks Star Busmann te Utrecht.

    • D.V.A. Brouwer