Openbaarheid remedie tegen angst en terreur

Onze privacy staat onder druk staat door internet en de angst voor terreur.

Het zou flink opluchten als we allen met open vizier naar buiten zouden treden.

De befaamde liberale denker John Stuart Mill was nogal kritisch over het kiesgeheim. Door de privacy van het stemhokje zouden mensen zich laten leiden door hun eigenbelang, in plaats van het publieke belang. Bovendien vond Mill dat vrije individuen openlijk voor hun opvattingen moesten uitkomen, in plaats van ze in het geniep tot uiting te brengen.

Ook als we het kiesgeheim terzijde schuiven, is de relatie die Mill legt tussen vrijheid en openbaarheid in deze tijd zeer relevant. Nu onze privacy steeds meer onder druk staat door internet en de angst voor het terrorisme, moeten we ons afvragen welke kant we opgaan: richting geheimzinnigheid of richting openbaarheid?

Deze vraag raakt aan diverse ethische kwesties. Mag de overheid er eigenlijk wel een geheime dienst op nahouden? Mogen verdachten worden berecht op basis van geheime informatie? Maar het gaat ook om de rol van burgers: mogen ze anoniem op internet publiceren?

Om te beginnen met de geheime diensten: aan die organisaties is een belangrijke rol toebedacht in de strijd tegen het terrorisme. Of ze effectief zijn, kunnen we niet weten. Ze zijn nu eenmaal geheim. Toch valt te beredeneren dat juist openbaarheid een veel sterker wapen is tegen het terrorisme. Om het terrorisme te bestrijden is medewerking nodig van mensen uit de omgeving van (potentiële) terroristen. Om hun hulp te krijgen, zal je zelf ook je kaarten op tafel moeten leggen. Een voorbeeld hiervan is de Zweedse geheime dienst, die in 2005 in het januarinummer van Maandblad M vertelde dat hij openlijk naar de islamitische gemeenschap stapt. ‘Wij zeggen: hier zijn we, we hebben een probleem met de veiligheid, met extremisten, en dat willen we oplossen.’ Deze aanpak blijkt te werken: ‘We krijgen veel reacties van moslims die vinden dat de terroristen de islam een slechte naam geven.’

Andersom kan een geheimzinnige aanpak juist radicalisering in de hand werken. In zijn boek Een voet tussen de deur: Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999 beschrijft Eric Duivenvoorden het effect van heimelijke acties van de geheime dienst. De angst voor informanten creëerde een soort paranoia, waardoor de kraakbeweging veranderde in ‘een in mootjes gehakte splinterbeweging, die kenmerken begint aan te nemen van een geheim genootschap.’

Momenteel worden radicale moslimjongeren intensief door de veiligheidsdienst gevolgd. Waarschijnlijk veroorzaakt dit een vergelijkbare paranoia. Het gevoel dat je niemand kan vertrouwen, werkt gesloten gemeenschappen in de hand, die niet meer het gevoel hebben dat ze verantwoording verschuldigd zijn aan mensen buiten de eigen groep. Dat is precies het klimaat waarin zieke ideeën kunnen ontstaan die kunnen leiden tot terreur.

Bij de bestrijding van terrorisme zou de heimelijke aanpak van infiltraties en telefoontaps daarom wel eens averechts kunnen uitpakken. Misschien moeten we de geheime dienst juist omvormen in een openbare inlichtingen- en veiligheidsdienst, die openlijk informatie verzamelt.

Ook in meer alledaagse situaties is de vraag van belang hoe we omgaan met openbaarheid. Dit belang neemt toe door de groeiende rol van internet, een medium dat zo nu en dan minder frisse kanten in de mens boven brengt. Racistische teksten, bedreigingen, mensen een loer draaien door tegen hun wil foto's en filmpjes te publiceren. Het zijn gedragingen die floreren door de anonimiteit van het medium.

De PvdA suggereerde onlangs dat er een soort identificatieplicht moet komen op internet. Het voorstel lijkt overbodig, aangezien de overheid zich al steeds meer mogelijkheden toeëigent om de identiteit te achterhalen van mensen die op internet actief zijn. Ook andere persoonlijke gegevens kunnen steeds gemakkelijker worden opgevraagd. Winkels, huisbazen, bibliotheken, reisbureaus en banken moeten desgevraagd gegevens over hun klanten beschikbaar stellen. Het is de heimelijkheid van Orwells 1984: je weet nooit of de overheid je controleert, laat staan wat ze met die informatie doet.

Het is het niet alleen de overheid die ons steeds nauwlettender in de gaten houdt. Ook bedrijven als Google verzamelen zeer gedetailleerde gegevens, zonder dat duidelijk is wat ze met die gegevens doen.

Tegen deze achtergrond valt er veel voor te zeggen om maar helemaal een einde te maken aan het anoniem publiceren op internet. Als er dan toch al zoveel bekend is over wat we op internet uitvoeren, waarom zouden dan alleen de overheid en bedrijven als Google over die informatie mogen beschikken? Is het dan niet beter om van internet een ruimte te maken waar iedereen die iets publiceert, zich bekendmaakt?

Anonimiteit en privacy moeten zeker niet op de vuilnisbelt, maar we mogen tegelijk ook best wat krachtiger opkomen voor de openbaarheid. Ten eerste is meer openbaarheid misschien wel het sterkste wapen tegen overheden en bedrijven die in het geniep steeds meer informatie over ons verzamelen. Ten tweede past het in een vrije samenleving dat mensen zoveel mogelijk met open vizier naar buiten treden.

Dirk Kloosterboer is redacteur van de website Nieuws uit Amsterdam